Verbeelde Weelde

De tentoonstelling ‘Verbeelde Weelde’ is een overzichtstentoonstelling van de stillevenkunstenaar Jan Davidsz. de Heem. De curator van de tentoonstelling, dr. Fred Meijer haalde zijn doctoraatstitel met een werk over de Heem.

de Heem werd geboren in 1606 in Utrecht, maar zijn ouders waren van Antwerpen afkomstig. Waarschijnlijk zijn ze moeten vluchten in 1585. De familienaam was in het begin dan ook ‘Van Antwerpen’. Jan verhuist naar Antwerpen in 1636, trouwt (een tweede keer) met Anna Ruckers en blijft hier 20 jaar. Vanaf de jaren 1650 gaat het minder met Antwerpen en de Heem gaat terug naar Utrecht om uiteindelijk de laatste 12 jaar door te brengen in Antwerpen. Over zijn laatste levensjaren is weinig geweten. Hij sterft in 1684 en werd begraven in de Sint-Pauluskerk.

de Heem groeit op in Utrecht, waar hij kennismaakte met de kunst van Balthasar van der Ast, die tot de eerste generaties van zelfstandige stillevenschilders behoort. Een vrij nieuw genre dat aan het begin van de zeventiende eeuw het pure van de natuur in beeld brengt, verstild, in keurige vaasjes, in strakke nissen, op schotels gepresenteerd maar verblindend mooi. De Heems vroegste schilderijen, composities met vruchten, vertonen invloed van Van der Ast. In Leiden zet De Heem de volgende stap en concentreert zich op monochrome composities, met vooral boeken, documenten en soms muziekinstrumenten kunstig geschikt.

Halverwege de jaren 1630 komt De Heem naar Antwerpen, de stad waar intussen ook veel talent van eigen bodem werkzaam is in de stillevenkunst. Jan Brueghel de Oude is dan reeds overleden, maar zijn nazaten borduren voort op zijn werk, Jan Brueghel de Jonge en Jan van Kessel.

De Heem schildert er zijn eerste bloemstillevens en pendelt tussen Antwerpen en Utrecht waar hij zich omstreeks 1658 opnieuw zal vestigen. Hij gaat er in dialoog met onder anderen de kunstenaars Maria van Oosterwijck en Abraham Mignon, leerlingen, maar tevens sterke persoonlijkheden. Jan verhuist in 1672 definitief terug naar Antwerpen waar hij verder schildert, maar in contact blijft met zijn entourage in de Noordelijke Nederlanden.

Op de bovenverdieping hangen de werken die hij in Antwerpen en zijn tweede periode in Utrecht maakt. Prachtige bloemenstillevens, maar ook guirlandes met vruchten en korenhalmen. Het grootste werk in de tentoonstelling meet 1,15 op 1,70 meter en hier staat een papegaai centraal. De vogel representeert het element lucht, de andere elementen zijn ook te herkennen: de vruchten (aarde), zeevruchten en het meer op de achtergrond (water) en de glazen en metalen voorwerpen (vuur). Handgemaakte en natuurlijke pracht verbeelden grote rijkdom, maar verwijzen ook naar de vluchtigheid van die geneugten.

Jan Davidsz. de Heems kernactiviteit was illusionisme. Hij deed alle moeite in zijn stillevens om een overtuigende illusie te presenteren, een schijnbare werkelijkheid. Al in 1661 deed Cornelis de Bie in zijn Gulden Cabinet der edel vry schilderkunst grote moeite om de Heems vermogen te prijzen om fruit en andere eetwaren zo bedrieglijk echt te schilderen, dat kijkers gemakkelijk werden misleid en dat hun eetlust voor de heerlijke gerechten die de schilder hen voorschotelde, bovenmatig werd opgewekt. Zwangere vrouwen, zo adviseerde hij, zouden moeten vermijden om te lang naar de Heems stillevens te kijken, anders zouden ze een onverdraaglijke eetlust krijgen. “De Heem is soodanich schilderende”, zei hij, “dat den Natuer stom staet midts sijn Fruyten door Pinceel het leven schier overtreffen”.

Ook de eerste helft van de jaren 1650 was een zeer productieve periode voor De Heem. Dit blijkt bijvoorbeeld uit het feit dat meer dan 15 stillevens konden worden gedateerd in 1652 en een dergelijk aantal in het daarop volgende jaar. Voor 1654 en 1655 neemt het aantal weer af. Deels vanwege het gebrek aan gedateerde werken is onduidelijk hoeveel De Heem schildert in de daarop volgende jaren, die de overgangsperiode tussen Antwerpen en Utrecht vormen. Nadat hij zich omstreeks 1658 in Utrecht heeft gevestigd, neemt zijn productie echter weer toe, vooral met bloemstillevens, die van die tijd af mede beeldbepalend zijn voor zijn werk. De bloemenschilderes Maria van Oosterwijck verhuisde in 1660 naar Utrecht, kennelijk speciaal met het doel om onder begeleiding van De Heem haar vaardigheden te verhogen. In 1664 brengt Jacob Marrel zijn leerling
Abraham Mignon bij De Heem. Mignon werd zijn leerling en emulator, deelde het atelier met hem en
bleef er werken na het vertrek van De Heem naar Antwerpen in 1672.

Net als vrijwel elk zeventiende-eeuws schilderij zijn ook de werken van de Heem in de loop der tijd enigszins veranderd. Voor spectaculaire effecten gebruikten veel van zijn tijdgenoten sterke kleuren die, ondanks hun effectiviteit bij het aanbrengen, gemakkelijk verslechterden of vervaagden met de tijd. De Heem vormt hierop geen uitzondering. Het meest opvallend is zijn gebruik van schietgeel voor felgele rozen, dat al na enkele decennia verkleurde. Dit effect is te zien in de meeste van zijn bloemencomposities. Ook citroenen, sinaasappels en andere geel(achtige) motieven kregen soms een glacis van schietgeel en worden nu waargenomen als een dof geeloker. Voor decoraties op porselein lijkt de Heem vrij vaak smalt of een onstabiel mengsel van ultramarijn te hebben gebruikt, wat in beide gevallen na verloop van tijd resulteerde in een grijze toon, in plaats van het oorspronkelijke krachtige blauw.

Waarschijnlijk werkte De Heem tot zijn dood op 77-jarige leeftijd in 1684.