Museo del Prado, Madrid
Het meest invloedrijke schilderij uit de gehele 15e-eeuwse kunstgeschiedenis en eeuwenlang een maatstaf voor de uitbeelding van emoties in de religieuze kunst.

Het werk werd waarschijnlijk gemaakt in opdracht van het ‘Grote Gilde van de Voetboog’. Het bevond zich vanaf ten laatste 1443 in de kapel van Onze-Lieve-Vrouw-van-Ginderbuiten in Leuven. Maria van Hongarije koopt omstreeks 1548 het schilderij en laat het werk overbrengen naar haar nieuwe paleis in Binche. Omstreeks 1553 gaat het werk naar Bergen uit veiligheids-overwegingen. Een jaar later wordt haar paleis platgebrand door de Franse troepen van Hendrik II. Het schilderij komt in 1555 in het bezit van Filips II, de neef van Maria, en in 1574 wordt het overgebracht naar het Escorial. Bij het uitbreken van de Spaanse Burgeroorlog in 1936 wordt het werk overgebracht naar Valencia. Pas in 1939 komt de kruisafname terecht in het Museo del Prado in Madrid.

Op het schilderij zien we het tafereel waarbij Christus van het kruis wordt losgemaakt door een knecht van Jozef van Arimathea, die van de ladder afdaalt met de nagels nog in zijn rechterhand. Het lichaam van Jezus, gedrapeerd in een lijkwade, wordt ondersteund door Jozef van Arimathea (links) en door Nicodemus. Vooraan zien we Maria, die overmand door het verdriet bezwijmt en nog net opgevangen wordt door Johannes en een van de heilige vrouwen, Maria Salomé. Achter Johannes staat ‘de andere Maria’, Maria Cleophas. Uiterst rechts staat de handenwringende Maria Magdalena ten prooi aan wanhoop.
De ietwat te grote figuren van het werk zitten als het ware gevat in een bak met in het midden een verhoging om het kruis af te beelden. Dergelijke retabelkasten met gebeeldhouwde taferelen kwamen vrij veel voor in het Brabantse in die periode. Maar Van der Weyden gaat veel verder dan dat, de retabelkast is hoogstens een schouderbreedte diep (zie de figuur van Maria Magdalena die tegen de kast aanleunt) en toch slaagt Rogier erin om vijf dieptelagen voor te stellen: Maria die in zwijm valt, achter haar het lichaam van Christus met Jozef van Arimathea achter hem, het vlak van het kruis en daarachter de helper in zijn damasten tuniek. Zijn schilderij is geen statisch gebeuren, maar een tableau vivant met mensen van vlees en bloed.

De zorgvuldig bestudeerde compositie met het rijm in de armbeweging van twee op de voorgrond geplaatste figuren (Maria en haar zoon) en de naar linksonder vallende compositielijn geven het thema van de kruisafneming nog meer dramatiek mee. Ook de figuren van Maria Salomé en Jozef van Arimathea zijn betrokken in het beeldrijm terwijl Johannes en Maria Magdalena in hun gespiegelde houding de groep als het ware omsluiten. De compositie lijkt dus perfect gebalanceerd en evenwichtig en toch is ze niet symmetrisch: er staan links vijf personen afgebeeld, tegenover drie rechts.

Een ander voorbeeld van de contradicties die Rogier in zijn werk plaatste is de botsing tussen het dynamische van de groep die het lichaam van Christus draagt en klaar staat om het schilderij langs de rechterkant te verlaten, maar daar ‘staat’ Maria Magdalena. Ook het onmogelijke perspectief van de ladder die bovenaan tegen de achterzijde van het kruis leunt maar onderaan voor het kruis op de grond lijkt te staan zou een ‘spielerei’ zijn die Rogier bewust in zijn werk plaatste, want hij verlengde het been en kleed van Maria om de exacte plaats van de ladderpoot te verbergen.

