Dürer war hier – Eine Reise wird Legende

DÜRERS REIS NAAR DE NEDERLANDEN EN AKEN 1520-21

500 jaar geleden, 1520-21, reisde Albrecht Dürer door het toenmalige Nederland en het Rijnland. Hij schrijft reisnotities die de fascinerende wereld van de renaissancekunstenaar voor ons openen. Het wordt zichtbaar hoe Dürer leeft, wie Dürer ontmoet, wat Dürer inspireert. Hij bezocht Aken in oktober 1520 voor de kroning van Karel V en in juli 1521 op weg naar huis. De grote kunst van de reis komt nu naar Aken: het Suermondt-Ludwig-Museum neemt het publiek mee met de grote tentoonstelling “Dürer was here. Een reis wordt een legende” in de wereld van Dürer.

Zo’n 90 meesterwerken van Dürer worden begeleid door zo’n 90 topwerken van tijdgenoten en opvolgers – kunstenaars die Dürer op zijn reis ontmoette of die door zijn reis en zijn kunst werden geïnspireerd. Andere kunstenaars zijn Quinten Massys, Joos van Cleve, Lucas van Leyden, Jan Gossart, Bernard van Orley, Marinus van Reymerswale, Dirk Vellert, Jan Mostaert, Conrad Meit, Hans Hoffmann, Lucas Cranach de Oude. Ä., Hans Holbein d. J. en Jan Brueghel de Jonge A.

Originele pagina’s van het exemplaar van het historische reisverslag en historische documenten completeren de show om een ​​totaalbeeld te creëren van de reis in termen van kunst, cultuur en sociale geschiedenis dat nooit in deze vorm is samengebracht – een van de vroegst bewaarde reizen ooit beschreven door een kunstenaar zelf.

In het verslag noteerde Dürer niet alleen nauwkeurig alle kosten en uitgaven maar ook de talrijke geschenken hij ontving. Tijdens zijn verblijf was Antwerpen zijn uitvalsbasis. Vanuit de Scheldestad bezocht de Neurenberger verschillende andere steden, waaronder Gent, Brugge, Brussel, Mechelen, Aken – waar hij kroning van Karel V bijwoonde – en Keulen. Hij had er tal van interessante ontmoetingen: met collegakunstenaars, vorsten, kooplieden uit Noord- en Zuid-Europa en ook geleerden, als Erasmus.

‘Ik zou het een kasboek durven te noemen. Hij vermeldt meticuleus al zijn inkomsten en uitgaven. Tegelijk krijg je een gedetailleerd beeld van waar hij was en wat hij deed’,

– Peter van den Brink, curator van de tentoonstelling ‘Dürer war hier’.

Dürer vertrok op 12 juli 1520 met zijn vrouw Agnes vanuit Nürnberg naar Antwerpen. Het was geen plezierreis, veeleer een zakentrip. In 1519 was de Oostenrijkse keizer Maximiliaan I gestorven. Hij was een grote fan en geldschieter van Dürer: hij schonk hem een jaarinkomen van 100 gulden. Maximiliaan werd opgevolgd door keizer Karel V. Dürer wilde hem ervan overtuigen de dotatie voort te zetten en achtte het nuttig te lobbyen bij Margaretha van Oostenrijk, de landvoogdes van de Nederlanden en tante van de nieuwe keizer. Ze resideerde in Mechelen. Vandaar de reis. En passant wilde Dürer de kroning van Karel tot nieuwe keizer in Aken bijwonen.

Maar er is meer dan die de officiële versie, zegt Van den Brink. ‘Dürer was niet gespeend van enige eigendunk. Hij vond zichzelf de grootste hedendaagse kunstenaar. Hij zag zijn reis als een lange triomftocht door de Nederlanden. Hij had great expectations, om het op z’n Dickens’ te zeggen. Het woord tegenslag, stond niet in zijn woordenboek.’

Het draaide anders uit. De grootste tegenslag was zijn relatie met Margaretha van Oostenrijk. Ze lobbyde met succes bij Karel V om Dürers toelage te bestendigen, maar verder ging ze niet. Dat was een streep door de rekening. ‘Dürer wilde tijdens zijn verblijf in Antwerpen een monumentaal altaarstuk schilderen, ‘Sacra Conversazione’, naar analogie van een gelijkaardig werk dat hij in Venetië had geschilderd. ‘Hij dacht in Margaretha een financier voor het project te hebben gevonden. In juni 1521 bezocht hij haar in Mechelen. Als geschenk had hij een portret van Maximiliaan I bij zich. Ze wees het af. Ze vond het lelijk. Dürer kon zijn project niet eens voorstellen’, zegt Van den Brink. Hij zou het nooit maken. Margaretha’s afwijzing was niet artistiek, maar politiek. Dürer was een overtuigde lutheraan. De landvoogdes van de Nederlanden kon het zich niet veroorloven een protestantse kunstenaar te steunen. Het was al haast een mirakel dat de streng katholieke keizer Karel de Duitse schilder financieel bleef steunen.

Dürer mag dan ambitieus en hovaardig zijn geweest, zijn tekeningen tonen dat hij ook nieuwsgierig was. ‘In zijn dagboek spreekt hij weinig over kunst en andere kunstenaars. Hij vond dat niet zo interessant. Liever ging hij kijken naar zaken die hij niet kende’, zegt Van den Brink. In Antwerpen was dat een grote processie. In Brussel zag hij exotische geschenken die de ontdekkingsreiziger Hernán Cortés uit Mexico had meegebracht voor Karel V.

Tussen al die uitstapjes door werd Dürer weleens gesommeerd om portretten van hoge heren te maken. ‘Ik werd in zeven haasten opgetrommeld om de koning van Denemarken te tekenen en daarna moest ik met hem dineren’, schrijft hij laconiek.

Albrecht Dürer dacht altijd economisch: tekenen was lucratiever dan schilderen. Dürer kreeg per tekening 1 gulden, wat goed betaald was voor de inspanning die hij daarvoor moest leveren. Voor een geschilderd portret kreeg hij 8 gulden, maar daar kroop veel meer tijd en werk in

Peter Van den Brink, curator

In 1521 vertrok Dürer terug naar Duitsland. ‘In Aken aten we met zijn allen voor 14 stuivers’, noteert hij nog. Wat hij toen niet wist, was dat hij tijdens een bezoek aan Zeeland – hij ging een aangespoelde walvis en een majestueus altaarstuk van Jan Gossaert bekijken – een infectie opliep. Volgens de overlevering ging het om chronische malaria, al worden daar nog altijd vragen bij gesteld. Dürer kreeg sindsdien wel voortdurend af te rekenen met koortsaanvallen, flauwtes en andere ongemakken. Hij stierf in 1528 in zijn geboortestad Nürnberg.