Bronstijd. Vuur van verandering.

De bronstijd (2000-800 v.Chr.) begon ruim vierduizend jaar geleden met de introductie van het nieuwe metaal brons, een combinatie van koper en tin. In deze historische periode die volgde op het neolithicum (de nieuwe steentijd) verving het brons stukje bij beetje het vuursteen als belangrijkste materiaal om gereedschap, wapens en sieraden mee te maken.

In het neolithicum werd in Europa al koper gesmolten om voorwerpen mee te maken. Dit was echter tijdrovend. Toen men ontdekte dat koper veel makkelijk smolt als er tin aan werd toegevoegd, kwamen er steeds meer bronzen voorwerpen in omloop. Voor de mens was deze ontwikkeling van belang. Brons was namelijk veel sterker dan koper. En bij het smelten en gieten kon men vormen maken die men daarvoor met steen, hout en been onmogelijk had kunnen vervaardigen. Bronzen wapens waren daarnaast lichter en efficiënter dan de stenen varianten.

Het bronsdepot van Voorhout’, zeventien bijlen en een beitel, datering: 1600-1200 v.Chr., gevonden in Voorhout, Zuid-Holland (Collectie en foto: Rijksmuseum van Oudheden)

De zucht naar brons leidde tot ingrijpende veranderingen, zoals nieuwe rolpatronen, machtige leiders, uitgebreide handelsnetwerken,  primitief geld en een grootschalig ingericht landschap. Het was ook de periode waarin het zwaard werd uitgevonden en krijgerselites, grootschaliger conflicten en zelfs oorlog ontstonden. De toenemende verbondenheid tussen mensen gold niet alleen voor de Europese gebieden, maar ontstond ook in het Midden-Oosten en Egypte. Belangrijk was de technologische innovatie die door brons in gang werd gezet, evenals een ongekend grootschalige inrichting van het land. Een herkenbare wereld, maar ook vervreemdend: kostbare wapens, werktuigen en sieraden eindigden als offer in het water, mysterieuze grafheuvels vormden een laatste rustplaats en in voormalige moerassen ontdekten archeologen veenwegen, heiligdommen en menselijke resten.

Bronstijdkleding is zeldzaam, en die van kinderen nog meer. Waarschijnlijk droegen ze, net als hun ouders, praktische en versierde kleding, zoals tunieken of rokjes. De kleding was waarschijnlijk zo gemaakt dat kinderen erin konden groeien, gezien de tijd die het kostte om het te maken. Reconstructies bronstijdkleding van rechts naar links: De oudste jurk van Nederland: wollen jurk geverfd met natuurlijke kleurstoffen, origineel ca. 800 v.Chr. I PreHistorisch Dorp, Eindhoven. Sommigen konden zich luxueuzere kleding veroorloven, zoals een wollen jurk van betere kwaliteit. Analyse van weefselfragmenten uit het graf van een rijke vrouw in Slabroek toonde een geruite jurk van rode draden, geverfd met blauwe draden, geverfd met wede. Het Meisje van Egtved (DK): wollen origineel ca. 1370 v.Chr. I De kleding van het Meisje van Egtved, ze werd begraven op een zomerdag rond 1370 v.Chr., bleef goed bewaard in haar eikenhouten boomstamkist. Ze droeg een korte woilen tuniek en een opvallend koordrokje, geschikt voor uitbundige (rituele) dansen. Sommige rokjes hadden bronzen rinkelbuisjes. Een rijk versierde bronzen riemplaat op haar buik maakte haar het stralende middelpunt. De Man van Emmer-Erfscheidenveen: mantel van kalfshuid, wollen tuniek, schoenen van hertenleer en mutsje van schapenhuid, origineel 1380-1100 v.Chr. I Drents Museum, Assen.

Reconstructies bronstijdkleding I Dorothee Olthof/Oermuseum, Diever, van links naar rechts: Volwassen vrouw: rok en blouse, bandgeweven ceintuur en haarnet in sprangtechniek, allen van schapenwol. Meisje: brandnetel rok, en blouse, bandgeweven riem en haarnet in sprangtechniek van schapenwol. Jongen: omslagjurk, mantel, muts en bandgeweven riem van schapenwol, schoenen van hertenleer.

In de bronstijd is religie nauw verweven met het dagelijks leven, met het vereren van voorouders en de natuurlijke wereld. De zon speelt een centrale rol. Het is een symbool voor leven, kracht en hernieuwing en wordt veel afgebeeld op rotstekeningen en rituele voorwerpen. Men lijkt de zon en hemel te willen vangen en begrijpen. Water vormt de tegenhanger hiervan: het is waar de zon begint en eindigt. Het is een toegangspunt tot een andere wereld, die van goden, natuurkrachten en voorouders. In grote delen van Europa worden bronzen wapens, werktuigen en sieraden in het water achtergelaten, gedeponeerd in rivieren, vennen en moerassen. Deze offergaven zijn misschien bedoeld om goden, geesten of voorouders positief te stemmen, op zoek naar bescherming of een gunst. Het zijn offers in een uitwisseling, verloren maar tegelijkertijd vereeuwigd.

Archeologen onderzoeken de herkomst van het brons door analyse van loodisotopen met laser- en röntgenmethoden. Dit toont aan dat kopererts in Europa uit vier hoofdregio’s kwam: Noord-Spanje, Oostenrijk, de Italiaanse Alpen en Noord-Wales.

Kenmerkend voor deze periode was ook de opkomst van het eerste wapen dat enkel bedoeld om een tegenstander te doden: het zwaard. Bijzonder in de tentoonstelling is dat zes ceremoniële reuzenzwaarden, waar het iconische zwaard van Ommerschans deel van uitmaakt, tegelijkertijd te zien zijn. Alle zes de zwaarden eindigden ongebruikt als offer in rivieren, venen en moerassen, waar volgens de gebuikers mogelijk contact met goden en voorouders kon worden gelegd. Omdat de zwaarden heel veel op elkaar lijken, gaat men ervan uit dat ze door dezelfde vakman gegoten moeten zijn.

Doordat Europa pas na de bronstijd een schrift kreeg, bevindt de periode zich aan de schaduwzijde van onze geschreven geschiedenis. Daardoor zijn we aangewezen op de archeologie om ze uit het duister te trekken. Al krijgt die tegenwoordig hulp uit eerder onverwachte hoek, namelijk van de genetica en de linguïstiek. Zo heeft DNA-onderzoek op menselijke skeletresten aangetoond dat er in het derde millennium voor Christus een ongekende migratie van steppenomaden plaatsvond, afkomstig van de vlakten in het zuiden van het huidige Oekraïne en Rusland. De immigranten brachten naast nieuwe gebruiken en innovaties ook een nieuwe taal mee: het Proto-Indo-Europees, de gemeenschappelijke oertaal van de meeste Europese talen. In de tentoonstelling klinken enkele gereconstrueerde woorden heel vertrouwd.

De introductie van brons deed bijvoorbeeld machtige elites ontstaan, in de eerste plaats daar waar koper- of tinerts in de grond zat, zoals in het zuiden van Groot-Brittannië. Deze mensen tooiden zich vorstelijk met sieraden, waarmee ze hun status etaleerden. Maar ze gebruikten ‘hun’ brons ook om aan ruilhandel te doen. Want waar er geen grondstoffenrijkdom was, moest uit een ander vaatje worden getapt. Scandinavië, bijvoorbeeld, is arm aan koper en tin, toch floreerde de bronstijd ook daar. Scheepswrakken in de Noordzee getuigen van een immense import van brons uit onder meer Groot-Brittannië. In ruil kregen de bronstijd-Britten barnsteen, vee, huiden, zout en misschien ook wel mensen (huwelijkspartners en mogelijk slaven). Het bloeiende handelsverkeer leidde zelfs tot de creatie van primitief geld: gestandaardiseerde bronzen ringen, stangen en bijlen vormden de euro van de bronstijd.

De overgang van de late bronstijd naar de vroege ijzertijd is een periode van sterke contrasten en grootse ontwikkelingen. In heel Europa ontstaat een nieuwe grafcultuur, die gelijkheid uitstraalt. In plaats van enkele individuen die onder grafheuvels worden begraven, wordt vanaf de late bronstijd vrijwel iedereen gecremeerd.
Vanaf de 8e eeuw v.Chr. vormt ijzer een nieuw element. Het is breder beschikbaar dan brons,
waardoor accenten in contactnetwerken verschuiven. Een nieuwe elite profiteert hiervan, met vorstelijke graven als laatste rustplaatsen voor lokale leiders. In onze streken worden ze na crematie ter aarde besteld met spectaculaire geïmporteerde objecten die hun macht symboliseren: lange zwaarden, bronzen vaatwerk, paardentuig en wagenonderdelen. Tegelijkertijd is er ook grimmige strijd, met zwaarden, speren, pijlen, knuppels en honderden doden op slagvelden. Oorlog hoort er nu ook echt bij.

HET VORSTENGRAF VAN OSS – Het vorstengraf van Oss is een van de meest iconische vondsten van de Nederlandse prehistorie. Hier werd een regionale leider begraven met spectaculaire importen uit het Hallstatt-gebied: een met goud versierd en omgebogen ijzeren pronkzwaard en paardentuig voor een wagen zijn
samen met de crematieresten in een grote bronzen situla of wijnmengvat geplaatst. Dankzij nieuw
onderzoek weten we dat er ook kostbaar textiel in de emmer zat en dat de objecten daar zorgvuldig
in waren verpakt. De vorst, een krachtige man in de bloei van zijn leven, lag onder een grote heuvel
(53 meter in diameter) die weer was opgeworpen over een heuvel uit de bronstijd.