
Hans/Jean Arp & Sophie Taeuber Arp. Friends Lovers Partners
Van 20 september 2024 tot 25 januari 2025 wijdt Bozar een grote tentoonstelling aan een van de belangrijkste kunstenaarskoppels van de 20ste eeuw: Hans Arp en Sophie Taeuber-Arp.
De diversiteit van hun werk – schilderkunst, sculptuur, textiel, design en literatuur – maakt hen tot op vandaag relevant. Niet alleen hun eigen artistieke creaties maken hen bijzonder, maar ook de werken die ze samen realiseerden, vanaf hun eerste ontmoeting in 1915 tot de vroegtijdige dood van Taeuber-Arp in 1943. Gedurende hun hele carrière daagden beide kunstenaars de grenzen uit tussen toegepaste en ‘nobele’ artistieke praktijk. Een unieke kans om het kleurrijk en geometrisch abstract werk van Sophie Taeuber-Arp naast de biomorfe vormen, collages en sculpturen van Hans/Jean Arp te ontdekken.


Op 16 september 1886 wordt Hans/Jean Peter Wilhelm Arp geboren in Straatsburg, destijds onderdeel van het Duitse Keizerrijk. Getalenteerd in poëzie en schilderkunst, studeert hij van 1904 tot 1908 aan kunstacademies in Straatsburg, Weimar en Parijs. Hij rondt echter geen van de studies af. In 1909 verhuist Arp naar Weggis in Zwitserland. Hij neemt deel aan activiteiten van avant-gardebewegingen, zoals de almanak en de tweede tentoonstelling van Der Blaue Reiter (De blauwe ruiter, 1911-1914) in München in 1912 en de tentoonstellingen en het tijdschrift van de galerie Der Sturm in Berlijn in 1913.
Sophie Henriette Gertrud Taeuber wordt geboren op 19 januari 1889 in Davos-Platz, Zwitserland. Na het overlijden van haar vader, verhuist Taeubers moeder met haar kinderen naar Trogen, Zwitserland. Ze leert haar dochters textielambachten en moedigt hun creativiteit aan. Van 1904 tot 1910 volgt Taeuber opleidingen aan teken- en ontwerpscholen in St. Gallen. In oktober 1910 begint ze haar studies aan de vooruitstrevende Onderwijs- en Experimentateliers voor Toegepaste en Schone Kunsten in München, ook bekend als de Debschitz-school. Hier focust ze zich op textiel- en houtontwerp en studeert ze af in de zomer van 1914.
Eind juli 1914 breekt de Eerste Wereldoorlog uit. Taeuber verhuist naar haar zus Erika Schlegel in Zürich, een toevluchtsoord voor avant-gardekunstenaars uit heel Europa. Ze begint er haar carrière als autonome kunstenaar in de toegepaste kunst. Arp vlucht van Duitsland naar Parijs om de dienstplicht te ontlopen. Daar ontmoet hij avant-garde- kunstenaars en -schrijvers zoals Pablo Picasso, Guillaume Apollinaire en Amedeo Modigliani. In 1915 verlaat Arp Frankrijk en vestigt hij zich in het neutrale Zwitserland.
“De tentoonstelling die in november 1915 plaatsvond in Galerie Tanner in Zürich, was het belangrijkste moment van mijn leven. Daar ontmoette ik Sophie Taeuber voor het eerst.”– Hans/Jean Arp




Sophie Taeuber had zich als succesvolle textielkunstenares in Zürich gevestigd. De geometrische abstractie was geïnspireerd door het raster van de drager van het borduurwerk. Kleur werd haar belangrijkste middel tot vormgeving. Dat was zo sterk dat een criticus van de INZZ- Neue Zürcher Zeitung in 1919 schreef ‘dat ze zoveel van rood hield dat men er haar dankbaar voor moest zijn’.

De hele Eerste Wereldoorlog lang vluchtten mensen uit de rest van Europa naar Zwitserland. Zürich werd een verzamelplek voor kunstenaars, acteurs, schrijvers en dansers die op hun eigen manier wilden protesteren tegen de oorlog en tegen de bourgeoisie, die volgens hen deze oorlog had veroorzaakt. De dada-beweging wilde op alle terreinen breken met traditie. Abstractie en het gebruik van nieuwe materialen waren bepalend voor de kunst die zij op het oog hadden.

In de zomer van 1917 verblijft het koppel in Ascona, Ticino, aan het Lago Maggiore in Zwitserland. Arp vindt ‘beslissende vormen’ in de natuur en ontwikkelt een organisch abstracte beeldtaal. Taeuber volgt er een danscursus bij Rudolf von Laban en Mary Wigman, pioniers van de Europese expressionistische dans.
Ascona, 1 augustus 1917, Brief van Sophie Taeuber-Arp aan Elisabeth von Ruckteschell [Duitse ambachtsvrouw, ze kennen elkaar van de Debschitz-school in München] (…) Het regent al twee dagen zoals het alleen hier kan regenen, het giet non-stop, we hebben met linoleum en karton een ijzeren kacheltje warm gestookt en vandaag hebben we eindelijk petroleum gekregen, zodat we zelfs een lamp kunnen aansteken. Meestal zitten we als apen in de boomkruinen, met kikkers op ons hoofd en hagedissen tussen onze tenen, ook verzorgen we onze voeten door open sandalen te dragen en controleren we elke dag of onze tenen al platter liggen. We voeden ons met tomaten, boter en eieren. Vanaf hier leidt een overwoekerd paadje naar de tuin van Monte Verità, waar ik elke morgen in mijn danshemd doorheen kruip, naar de lessen. (…)
In de jaren 20 verschuift Taeubers werk van verticaal-horizontale rasters naar composities met meer beweging en abstracte figuratie, mede geïnspireerd door reizen naar verschillende Europese steden. In het voorjaar van 1921 reizen Arp en Taeuber naar Italië, waar ze Firenze en Siena bezoeken. Op 20 oktober 1922 trouwen Arp en Taeuber in Pura, Ticino. Taeuber wordt Duits en neemt de naam Arp- Taeuber aan. Vanaf 1930 gebruikt ze ook Taeuber-Arp, de naam waaronder ze vandaag de dag bekend is.
Champfèr, 21 februari 1922 , Brief van Sophie aan Erika Schlegel-Taeuber (…) Vanmiddag heb ik het definitieve ontwerp van het tapijt voor de tentoonstelling in Lausanne naar Zürich gestuurd, ik werk aan een groot tafelkleed in tule. De heer directeur [Alfred Altherr, vakschool in Zürich] had weer eens zijn kuren. De heer Kienzle [een collega op school] had me uitdrukkelijk gezegd dat hij wilde dat ik zijn slaap kamer ontwierp, ik besprak het meubilair met hem. Komt daar plots een brief van de heer dir. dat ontwerpen maken de taak van de leerlinges is en dat er geen financiële hulp verleend kan worden. (…) Als ik kan, koop ik het tapijt later terug. Ik vond het heel leuk om het te ontwerpen, zo is een hele reeks kleine aquarellen ontstaan, die ik op elk moment gemakkelijk kan omzetten in kralentassen, kussens, tapijten en wandstoffen. Omdat ik de laatste tijd veel getekend heb, stond ik zelden op het ijs. (…)








Parijs, 10 juni 1931, Brief van Sophie Taeuber-Arp aan Erika Schlegel-Taeuber (…) Morgen is de opening van de nieuwe juryloze tentoonstelling ‘1940’ [in Galerie de la Renaissance in Parijs], die wij mee in het leven hebben geroepen. Het doet me veel plezier om mijn werk tussen dat van anderen tentoon te stellen, thuis heb je nooit een voldoende objectieve kijk op je schilderijen. Hans zei me vandaag dat de ophangcommissie ze zeer mooi vond, daar ben ik blij om, ik ben helemaal niet verwaand, des te blijer ben ik wanneer iemand er met belangstelling naar kijkt. Ons bestaan is de laatste tijd erg bewogen, het doet me goed dat we vaak heel verschillende mensen zien, alleen zijn die ontmoetingen meestal te vluchtig. Vanavond worden enkele gedichten van Hans in het Spaans vertaald en daarna gaan we nog naar een Amerikaanse beeldhouwer [Alexander Calder] die eruit ziet als een reusachtig kind, ze zijn al generaties lang beeldhouwer.



Clamart, 13 april 1933, Brief van Sophie aan Annie Müller-Widmann [Zwitserse verzamelaar] (…) Wat in Duitsland aan de gang is doet ons veel pijn, het was toch het land dat het meeste begrip had voor creatieve kunst en dat ook in toenemende mate uitte. Parijs blijft wel het centrum, maar de Fransen zelf tonen weinig begrip, ze zijn eigenlijk door en door conservatief en willen daarom niet diep aangegrepen en geschokt worden. (…) Naar ik heb gehoord zijn de Zürichse microcefalen opgelucht dat uw huis nu toch niet door een vrouw wordt gebouwd [initieel was Taeuber-Arp gevraagd om het te bouwen]. (…)
Na het begin van de Tweede Wereldoorlog besluit het paar in juni 1940 te vluchten voordat Duitse soldaten Parijs binnenvallen. In september komen ze aan in Grasse in Zuid-Frankrijk, waar de Italiaanse schilder en vriend Alberto Magnelli met zijn toekomstige vrouw Susi Gerson verblijft.
Voedsel, geld en kunstmaterialen zijn schaars, en het koppel is afhankelijk van zorgpakketten uit Zwitserland. Arp hergebruikt het verpakkingspapier van de pakketten en creëert zijn Papiers froissés (Verfrommelde papieren), beschilderd met eenvoudige zwarte, grijze en witte olieverf. Hij maakt ook kleine reliëfs en sculpturen uit restjes marmer van een plaatselijke steenhouwer.
Taeuber-Arp neemt het kleurpotlood weer op en maakt levendige lijntekeningen, ook voor de luxe-editie van Arps bundel Gedichten zonder voornamen (1941). In 1942 maakt Taeuber-Arp een reeks geometrische cirkelcomposities in inkt, potlood en gouache op papier. Ze maakt ook enkele schilderijen, zoals Dynamische constructie, penetratie van spiralen en diagonalen.
Grasse, 28 maart 1941, Brief van Sophie Taeuber-Arp aan Erika Schlegel-Taeuber (…) Voorlopig ben ik blij dat ik in dit prachtige landschap woon en rust en veel comfort heb (de hitte niet te na gesproken) want ik moet toegeven dat ik doodsbang ben van Amerika. [Arp en Taeuber-Arp dachten eraan te emigreren] (…) En Hans spreekt geen Engels en heeft er een afschuw van om zijn werk in de kijker te plaatsen en zelfs om erover te spreken, zoals hij vroeger graag deed. Bovendien zouden we onze werken niet kunnen meenemen, we zouden daar aankomen met het weinige dat we hier hebben gemaakt. (…) Je kunt je niet voorstellen hoe kostbaar deze [voedsel]pakketten zijn. Onze rantsoenen worden kleiner, er is ook bijna geen vlees of kaas meer en hetzelfde geldt voor bloem, thee, chocolade en helaas ook sinaasappelen. Gelukkig hebben we groenten van goede kwaliteit. (…)

Het echtpaar besluit niet naar de Verenigde Staten te gaan en blijft in Europa. In november 1942 kunnen ze naar Bazel en Zürich reizen, waar ze verblijven bij bevriende verzamelaars en familieleden.
In de nacht van 13 op 14 januari 1943 overlijdt Sophie Taeuber-Arp in haar slaap door koolmonoxidevergiftiging tijdens haar verblijf in het huis van Max Bill in Zürich.
De plotselinge dood van Taeuber-Arp stort Arp in een diepe crisis. Hij stopt vier jaar met het maken van sculpturen en verwerkt zijn verlies en verdriet in gedichten, collages, reliëfs en gouaches.Hij begint te werken aan een boek ter nagedachtenis van Taeuber-Arp, wat in 1948 resulteert in een oeuvrecatalogus.
Na de Tweede Wereldoorlog keert Arp naar Clamart, waar hij zich toelegt op zijn eigen werk en op het voorbestaan van Taeuber-Arps nalatenschap. Hij verandert haar studio in een tentoonstellingsruimte gewijd aan haar werk.
Naast het verkennen van nieuwe vormen, herneemt Arp zijn organische vocabulaire uit de jaren 1930. In 1947 hervat hij zijn sculpturaal onderzoek en experimenteert met schaal en nieuwe materialen. Zijn sculpturale werk krijgt wereldwijde erkenning. Hij ontvangt de Grote Prijs voor Beeldhouwkunst op de 27e Biënnale van Venetië (19 juni-17 oktober 1954).


In 1949 worden zijn werk en dat van Taeuber-Arp opgenomen in de tentoonstelling Kunstenaars: man en vrouw (19 september-10 oktober) in Sidney Janis Gallery in New York, naast werk van andere echtparen zoals Robert en Sonia Delaunay en Max Ernst en Dorothea Tanning.
https://www.bozar.be/nl/kijk-lees-luister/5-things-know-about-hansjean-arp-sophie-taeuber-arp



















