
Emile Claus, Prins van het Luminisme
Op de 175ste geboortedag van Emile Claus, 27 september 2024, startte in het mudel te Deinze de prestigieuze tentoonstelling “Emile Claus. Prins van het luminisme” die tientallen topwerken van de kunstenaar samenbrengt. De titel van de tentoonstelling is geïnspireerd op een publicatie van Alice Sauton uit 1946. Uit alle periodes van zijn oeuvre worden de mooiste schilderijen getoond, mede dankzij de uitzonderlijke samenwerking met het Museum voor Schone Kunsten van Gent én via belangrijke bruiklenen uit diverse publieke en private collecties.




Van de bakermat in Waregem tot de academie in Antwerpen
Emile Claus wordt op 27 september 1849 geboren te Sint-Eloois-Vijve als twaalfde van dertien kinderen, waarvan er naast Emile uiteindelijk slechts 4 overleven. Vader Alexander Claus baat er de herberg In ’t Gildhuis uit, tegelijk kruidenierswinkel en het lokaal voor de plaatselijke schuttersvereniging.
De eerste artistieke stappen zet Claus in de Academie van Waregem. Bewaard uit die periode zijn vooral kleine potloodtekeningen en aquarellen. Pas vanaf 1869 zal hij zich aan de Academie van Antwerpen, geïntroduceerd door componist Peter Benoit uit Harelbeke, kunnen vervolmaken in het metier van schilderen met olieverf. Na zijn studies in Antwerpen kan hij vanaf juni 1874 aan de slag als assistent in het atelier van Nicaise De Keyser. Ongetwijfeld heeft hij zich daar zelf verder kunnen verdiepen in de portret- en genreschilderkunst, en produceert hij schilderijen die goed aanslaan bij de burgerij. Een paar jaar later huurt Claus een eigen atelier in Antwerpen.





Het licht uit het zuiden meegebracht
Emile Claus onderneemt in 1879 een reis tot in Algerije in het gezelschap van de Antwerpse rentenier en amateur-kunstenaar Jules Guiette, die de tocht ook financieel mogelijk maakt. De reisroute loopt over Frankrijk, Spanje (waar wellicht ook de Italiaan Gustave Simoni het gezelschap vervoegt) en doorheen Marokko. De werken die Emile Claus ter plaatse maakt zijn van klein formaat, want ze moeten
nadien nog terug kunnen reizen met de karavaan. Grotere werken waarvoor hij inspiratie vindt in Spanje en
Noord-Afrika realiseert hij later in zijn atelier in Antwerpen. Oriëntalistische werken zijn evenzeer sterk in de mode gedurende de hele 19de eeuw. Claus’ solotentoonstelling eind 1879 in de Verlatzaal in Antwerpen
is volledig gewijd aan dit corpus van exotische schilderijen en aquarellen.
Net zoals er een unieke lichtwerking is in de Leiestreek, ervaart Emile Claus dat ook tijdens deze oriëntalistische reis. De specifieke indrukken daar hebben hem voor een stukje
mee gevormd als luminist aan de Leie.
Een hanengevecht en een bruid in Waregem
Emile Claus portretteert zijn toekomstige bruid Charlotte Du Faux, dochter van notaris Eduard Du Faux uit Deinze, al een eerste keer in 1881. Haar oom Leo Du Faux (broer van Eduard) is eveneens notaris maar dan in Waregem. Zeer waarschijnlijk zijn Claus en Charlotte daar een eerste keer aan elkaar voorgesteld.
Claus huwt uiteindelijk met Charlotte Du Faux op 4 mei 1886.


Nog in Waregem realiseert Claus in 1881 Hanengevecht in Vlaanderen en bouwt intussen de activiteiten in zijn atelier in Antwerpen steeds verder af. Vanwege de ophef die het schilderij teweegbrengt, mag Hanengevecht in Vlaanderen gezien worden als de definitieve doorbraak voor de kunstenaar. Op het schilderij zien we een opeenstapeling van notabelen en bekende dorpsbewoners, met onderaan een bloederig hanengevecht. Het is zowel een krachtmeting tussen de dieren, als een strijd om populariteit binnen de eigen gemeente.
Astene, een nieuwe uitvalsbasis
Vanaf de zomer van 1882 vestigt Emile Claus zich definitief in Astene, in een voormalig jachtpaviljoen dat hij later samen met vriend en criticus Pol De Mont zal omdopen tot Villa Zonneschijn.
Al vlug gaat hij op ontdekkingstocht en ontdekt hij het reilen en zeilen in het dorp en het landelijke leven rondom de meanderende Leie. In het naburige Deurle maakt hij intussen kennis met Xavier De Cock en raakt hij bevriend met Albijn ‘Binus’ Van den Abeele.
Bietenoogst, in 1890 geschilderd op een boogscheut van Villa Zonneschijn, wordt gezien als een scharnierwerk in het oeuvre van Emile Claus. Hij verlaat langzamerhand de eerder realistische schilderkunst, de toets van de meester wordt steeds meer impressionistisch.
Als sociaal-realistisch statement – een boerentafereel op een dergelijk formaat was immers not done – veroorzaakt het deining op de salons waar het wordt getoond. Bietenoogst krijgt anderzijds ook grote erkenning en het is zeer goed bekend bij de tijdsgenoten van de kunstenaar.


Harde winters
Tot 1889 behoudt Emile Claus een pied-à-terre in Antwerpen waar hij vooral tijdens de wintermaanden
woont en werkt. In zijn oeuvre vinden we tot dan geen winterlandschappen terug. Pas na zijn definitieve vertrek uit de Scheldestad trekt het thema zijn aandacht, en hoe!
Tijdens de winter van 1890-91, die bekend staat als een van de koudste van de negentiende eeuw, verleiden de
bevroren Leie en het feeërieke landschap rond zijn woonhuis hem tot een absoluut hoofdwerk, De ijsvogels. Aan zijn boezemvriend Camille Lemonnier schrijft hij: ‘Als het vriest, is het platteland prachtig: ik mis de grote stad heIemaal niet, want op het land is het licht in de winter zo bijzonder, zo helder, zo verblindend dat we ondanks de hevige kou moedig in de openlucht gaan schilderen.’
Nadien blijven sneeuw en ijs hem uitdagen tot het schilderen van landschappen waarin de unieke atmosfeer en
de gedempte stilte van het vierde jaargetijde overheersen. Een besneeuwd landschap is voor de kunstenaar evenwel geen noodzaak om op een overtuigende wijze winterse weersverschijnselen neer te zetten, zoals het koude licht van een februaridag in Het lichten van de fuiken aantoont.
Zonneschijn, een ontmoetingsplek aan de Leie
In Villa Zonneschijn, waar Emile Claus vanaf 1882 woont, en waar Charlotte Du Faux na hun huwelijk in 1886 bij hem intrekt, vindt de kunstenaar zijn vaste stek. Het is een prachtige plek met een ruime lichtrijke tuin aan de oever van de Leie. Het koppel richt het voormalige jachtpaviljoen naar eigen noden in, en Claus laat er een ruim atelier aanbouwen. Hij is er gastheer voor vrienden en kennissen, de culturele elite van het land komt er op bezoek.
Vanaf het laatste decennium van de 19de eeuw neemt Emile Claus tegen betaling leerlingen aan. Het zijn bijna
uitsluitend jonge vrouwen uit de gegoede burgerij in een tijd waarin het bon ton was om bij een bekend kunstenaar of componist in de leer te gaan. Vanuit hun milieu worden ze echter niet geacht om aan deze occasionele lessen bij Claus een professioneel vervolg te breien, en sowieso krijgen ze als vrouwen weinig kansen in een door mannen gedomineerde kunstwereld. De meesten verdwijnen in de anonimiteit of worden zelfs uit de naslagwerken geweerd. Evenwel slagen een drietal van hen – Jenny Montigny, Anna De Weert en Yvonne Serruys – er toch in om een indrukwekkend parcours af te leggen. Met Jenny Montigny onderhoudt Claus tot aan zijn dood ook een liefdesrelatie. Ze volgt hem letterlijk overal, vaak tot ongenoegen van zijn vrouw Charlotte.
Emile Claus schildert onder andere Asters en sterrebloemen in 1908 vanuit zijn eigen tuin, die hem een weergaloos zicht op de rivier biedt. De bloemenpracht rond Villa Zonneschijn is er zeer vaak een inspiratiebron voor Claus en zijn leerlingen. Vanuit alle hoeken en kanten van het domein ontstaan schilderijen. Claus waagt zich met zijn schildersezel zelfs soms op een roeibootje op de Leie om zijn geplande werk vanuit een specifiek standpunt te kunnen maken.
Schilder van mens en dier
Weinig kunstenaars van zijn generatie in binnen- en buitenland hebben een vergelijkbaar
inlevingsvermogen voor het landelijke leven aan de dag gelegd als Claus. Zijn schilderijen beklijven precies omdat ze het harmonische samenleven van mens, dier en natuur zo treffend in beeld brengen. Of het nu meis-
jes op weg naar school betreft, een schijnbare ontmoeting met een groep kuddewachters op een schaduwrijke landweg, het angstaanjagende moment van koeien bij de oversteek van de rivier tussen stal en graasland, rustende arbeiders tijdens hun middagpauze, vlaswerkers onder de loden zon tijdens de oogst,
arenlezers die de schamele oogstresten oprapen, dieren in een boomgaard: steeds weet de kunstenaar de boodschap kernachtig te vatten én waarachtig in beeld te brengen.
Bij het zien van deze schilderijen kan moeilijk ontkend worden dat Claus een uitgesproken
empathie voor de landelijke samenleving had. In tegenstelling tot tal van tijdgenoten is er bij hem geen neerbuigende afstandelijkheid te bespeuren. Wat hem uniek maakt, is het oprechte vermogen om zich in te leven in een biotoop die hij door en door kent en die steeds de zijne is gebleven – hoewel hijzelf ondertussen flink is geklommen op de sociale ladder.
De stad
In 1889 schrijft Claus aan zijn vriend Albijn Van den Abeele: ‘Terwijl ik uwen brief las keek ik naar mijne schilderijen en was het mij een zoete deugd de breed uitgespreide meersen vol bloemekes, het welriekende hooi, (reuk dat geen Parijsche parfumeur kan evenaren), de rijk gekleurde koeien, en de tintelende rode daken, dat alles eens droomerig te bekijken: en zonder pretentie mag ik u bekennen dat die plekskes kleur op doek in Vlaenderen ’t Leyeland genomen, mij hier in Parijs menigmaal terug brengen in ’t vette Vlaamsche land; daar alleen kan en wil ik borstelen.’ M<
aar: Claus reist graag en veel, houdt wel degelijk van de grootstad, begeeft er zich graag onder de menigte en observeert met volle teugen. Hoewel van Parijs nauwelijks stadsgezichten bekend zijn, schildert hij wel degelijk in andere steden. Zoals zijn Parijse vriend Henri Le Sidaner houdt hij bijzonder van het verstilde Brugge. Ook Gent kent hij op zijn duimpje; tijdens de winters heeft het echtpaar een appartement aan de Voldersstraat ter beschikking. In de plaatselijke Cercle artistique et littéraire is hij niet alleen als exposant een graag geziene gast: vrienden als Cyriel Buysse, Pol de Mont, Emile Verhaeren, zelfs de kranten maken gewag van zijn hilarische tussenkomsten op chique diners.
Zoals vele vluchtelingen brengt hij de Eerste Wereldoorlog door in Groot-Brittannië. Na enkele omzwervingen vindt hij een schilderstek in een torenkamertje vier hoog aan Embankment. Naar eigen zeggen krijgt hij er nooit genoeg van om de ‘constant veranderende pracht’ van de ‘betoverende rivier’ in beeld te brengen. Op uitnodiging van het koningspaar Albert I en Elisabeth verblijft hij tijdens de zomers van 1916 en 1917
in de Westhoek. Ondanks de vrolijke momenten in en rond het Koninklijk Paviljoen in De Panne is hij diep onder de indruk van de aangerichte verwoestingen aan het IJzerfront.
Water en lucht
Claus’ werk van voor 1891 bevat nauwelijks landschappen waarin figuren geen bepalende rol spelen. Hoewel de integratie van personages steeds functioneel is, zal het landschap dan pas een onafhankelijke rol opeisen. Vanaf omstreeks 1904-05 zal elke menselijke activiteit zelfs volledig op de achtergrond verdwijnen. Hij focust daarbij op natuurelementen die hij in close-up in beeld brengt, bijvoorbeeld de planten, de bloemen, de bomen
in zijn tuin, de Leiebocht iets verderop. Evengoed verleidt de wijdse blik op de Leiemeersen hem tot panoramische landschappen met een gezicht zo ver het oog reikt.
Opvallend in Claus’ laterejaren is dat hij de horizon lijn lager plaatst dan voorheen, waardoor stevige
luchtpartijen het overgrote deel van de compositie inpalmen. Dergelijke indrukwekkende wolkenhemels maken een andersoortige lichtwerking mogelijk; niet meer het door het bladerdek gefilterde schijnsel of het zinderende licht van twintig jaar eerder, maar zonnestralen die gebroken worden door een vol en fantasierijk wolkendek. Herhaaldelijk getuigt Claus in zijn brieven over het belang van het werken en plein air en de manier waarop de natuur hem daarbij fysiek en artistiek uitdaagt – of, zoals hij het noemde, ‘uitput’. Op de hem typerende bevlogen wijze deelt hij zijn leidmotief graag met zijn leerlingen: ‘heb de Natuur lief als een ware minnaar. Luister naar haar, ze is noch leugenachtig, noch pretentieus en als uw liefde voor haar (de natuur) niet duister of geveinsd is, zult u gelukkig zijn in uw kunst.’



Adieu Emile
Emile Claus overlijdt op 5 juni 1924 zeer onverwacht thuis op 75-jarige leeftijd, daags véôr hij de kunstminnende Koningin Elisabeth zou ontvangen. Hij had speciaal voor haar een pastel gemaakt met daarop enkele bloemen van een ruiker die de koningin hem gezonden had. De bewuste pastel is tot op heden niet teruggevonden.
Op het sterfbed van Emile Claus wordt een dodenmasker gemaakt, een afgietsel van zijn gelaat. Emile Claus wordt aanvankelijk begraven op het gemeentelijk kerkhof van Astene, maar wat later ontgraven en opnieuw begraven in de voortuin van Villa Zonneschijn. Dit op vraag van zijn overlevende echtgenote Charlotte Du Faux, die daarmee na verluidt wil verhinderen dat Claus’ minnares Jenny Montigny bloemen blijft leggen op het graf. Als grafbeeld wordt een sculptuur van George Minne besteld, in witte marmer uitgevoerd en 4.000 kg zwaar. De vastberaden Montigny zal echter nog regelmatig bloemen over het toegangshek tot het domein gooien.
Op 9 mei 1926 wordt het standbeeld en monument voor Emile Claus, aan de rand van het Citadelpark in Gent,
ingehuldigd in aanwezigheid van Koningin Elisabeth. Yvonne Serruys, die schilderles kreeg van Emile Claus maar rond 1900 onherroepelijk voor de beeldhouwkunst koos, ontwerpt het volledige monument.








































