Erich Heckel in Vlaanderen

Het Museum voor Schone Kunsten Gent wijdt van 12/10/2024 tot 26/01/2025 een tentoonstelling aan de Duitse kunstenaar Erich Heckel (1883-1970). Heckel was een van de hoofdfiguren van het Duits expressionisme en medestichter van de kunstenaarsvereniging Brücke. Hij werkte tijdens de Eerste Wereldoorlog als verpleger voor het Rode Kruis in Roeselare, Oostende en Gent. Zijn fascinatie voor de Vlaamse landschappen en steden krijgt vorm in sprekende kunstwerken: romantisch en expressief, spiritueel en tastbaar, en vooral hoopgevend. Met deze monografische tentoonstelling belicht het MSK een minder gekende, maar bijzonder boeiende periode van deze toonaangevende kunstenaar.


Reinhold Erich Heckel wordt op 31 juli 1883 geboren in Döbeln (Saksen). Zijn vader Wilhelm Julius Heckel is spoorweg- ingenieur; moeder Margarete Elisabeth Barth stamt uit een fabrikantenfamilie uit Thüringen. In april 1904 schrijft hij zich in aan de Königlich-Sächsische Technische Hochschule in Dresden voor de opleiding Architectuur. Zijn medestudenten zijn o.m. Ernst Ludwig Kirchner en Fritz Bleyl, een jaar later volgt ook Karl Schmidt-Rottluff. Met amateurmodellen oefenen ze de zogenaamde Viertelstundenakt, waarbij het model om het kwartier een andere houding aanneemt, met de bedoeling om op een spontane en intuïtieve manier de essentie van de steeds wisselende poses te schetsen.

Op 7 juni 1905 richten de vier vrienden Bleyl, Heckel, Kirchner en Schmidt-Rottluff de ‘Künstlergruppe Brücke’ op. In hun programma spreken ze ‘het geloof in de ontwikkeling en in een nieuwe generatie van zowel makers als genieters’ uit, en ‘doen wij een oproep aan alle jongeren’ om zich af te zetten ‘van de gevestigde, oudere machten. Bij ons hoort iedereen thuis die direct en onvervalst weergeeft wat hem tot scheppen aanzet.’ Kirchner is de mentor van de kunstenaarsgroep, Heckel de organisator (en voorzitter); als adres van de vereniging gebruiken ze dat van zijn ouders in de Berliner Straße 65 in Dresden. Heckel is verantwoordelijk voor de financiering, organiseert de groepstentoonstellingen en ronselt actief kunstliefhebbers. Voor hun lidmaatschap van 12 mark krijgen verzamelaars jaarlijks een portfolio met drie of vier prenten. Op die manier is het grafische werk van de Brücke-kunstenaars niet alleen belangrijk voor hun artistieke ontplooiing, maar ook voor het voortbestaan van de groep. Naderhand sluiten Otto Müller, Emil Nolde, Max Pechstein, Kees van Dongen en Cuno Amiet aan.

In 1910 heeft Heckel Milda Frieda Georgi leren kennen, een jonge danseres die als naaktmodel voor Kirchner en Heckel poseert. ‘Siddi’ wordt zijn levensgezellin en zal tijdens de oorlog Heckels zaken beredderen tijdens zijn afwezigheid; ook nadien staat ze hem actief bij in het uitbouwen van zijn carrière. Samen met zijn vriendin verhuist Heckel in 1911 naar Berlin-Steglitz. In Berlijn wordt zijn artistieke vriendenkring alsmaar groter. Zijn buurman is de latere dadaīst Raoul Hausmann. Ook Paul Klee, Lyonel Feininger, August Macke en Franz Marc zijn regelmatig te gast. Vooral de ontmoeting met kunsthistoricus Walter Kaesbach is van belang, de assistent-directeur van de Berlijnse Nationalgalerie, die een hechte vriend wordt.

E L Kirchner, Villa in Dresden, ca. 1910

Kirchners groeiende succes als zelfverklaarde vaandeldrager van de kunstenaarsgroep en zijn eigenzinnige kijk op de ontstaansgeschiedenis ervan zoals beschreven in zijn Brücke Chronik, leiden in mei 1913 tot de splitsing van de groep.

Na de oorlogsverklaring in augustus 1914 van Duitsland aan Rusland, Frankrijk en Groot-Brittannië, meldt Heckel zich vrijwillig voor de militaire dienst. Wegens het grote aantal jongere rekruten wordt hij afgewezen. Vervolgens beantwoordt hij een oproep van het Rode Kruis en krijgt een theoretische en praktische verplegersopleiding.

Midden januari 1915 begint Heckel in Berlijn als vrijwillige verpleger. Voor het eerst wordt hij geconfronteerd met zwaargewonde soldaten. Gedurende zes weken – met werkdagen van soms veertien uur – werkt hij onder andere met shellshockpatiënten. Op 5 maart ontvangt hij zijn legitimatiepapier en wordt ingedeeld in de Rode Kruiseenheid van het Vierde Leger. Samen met de bijbehorende armband (Neutralitātszeichen) geeft het document recht op ‘gratis inkwartiering, medische zorgen en treinverkeer derde klas voor dienstreizen’. Kaesbach staat aan het hoofd van de Sanitätseinheit, een groep waar ook de schilders Max Kaus, Anton Kerschbaumer, Otto Herbig en de dichter Ernst Morwitz deel van uitmaken. Op 7 maart gaat het met de trein via Keulen, Brussel en Gent naar Roeselare.

Tijdens de Tweede Slag om leper belandt Heckel te midden het oorlogsgeweld. De groep onder leiding van Kaesbach haalt de talrijke gewonden op in dorpen als Langemark, Poelkapelle en Westrozebeke, en brengen ze over naar het noodhospitaal in Roeselare of veldhospitalen in nabijgelegen kerken en scholen. Op 15 mei 1915 wordt het peloton van Kaesbach afgelost en overgeplaatst naar Oostende, waar in het station Oostende -Stad een verzamelplaats voor zieke en gewonde soldaten is ingericht.

In de zomer van 1915 in Oostende zijn Duitse militairen de enige toeristen. In zijn dagboek noteert Oostendenaar Sylvain Van Praet: ‘Dagelijks arriveren er honderden voor een verblijf van één of twee dagen om een verkwikkend bad te nemen in de Noordzee. Bij hun aankomst in het station staat een orkest te spelen. En het speelt ook als ze in het water gaan.’ Heckel getuigt: ‘Sinds die daguitstapjes naar Oostende worden georganiseerd, zijn al bijna dertig militairen verdronken. De meeste van hen zijn niet vertrouwd met het fenomeen van eb en vloed. Als ze zich 20 meter in volle zee wagen, worden ze met de stroming meegezogen.’ Velen baden naakt; de klachten van de burgerbevolking zijn veelvuldig maar blijven zonder gevolg. Op dienstreizen tijdens de zomer bezoekt Heckel Brugge, Brussel en Gent.

Kaesbachs peloton wordt in november 1915 ingekwartierd in Hotel Ellen aan de Van Iseghemlaan. Vanuit zijn raam ziet Heckel de winkel van de moeder van James Ensor. Beiden hebben elkaar zeker in maart datzelfde jaar reeds ontmoet, maar door hun ‘nabuurschap’ intensifieert hun relatie. Heckel steunt de kunstenaar volop, bemiddelt bij de verkoop van zijn werk aan Duitse verzamelaars en beide wisselen werken uit. Wanneer Ensor omwille van zijn blasfemische werk voor de Duitse krijgsraad moet verschijnen, bemiddelt de kring rond Kaesbach actief voor zijn vrijlating. Nog in augustus 1916 weten ze bij een grote metaalinzameling de confiscatie van Ensor’s etsplaten te voorkomen.

Na zijn verlof in Berlijn getuigt Siddi: “Het was allesbehalve eenvoudig om mijn verlofganger drie weken lang aan te sterken in de mate dat zijn daarginds behoorlijk uitgemergelde lichaam nodig had. Hij heeft veel geschilderd en kon weer vrijmoediger en vol vertrouwen vertrekken, hoewel het hem ook elke keer zwaarder valt.” Tijdens de volgende maanden is ze druk in de weer om werk van Heckel op Duitse tentoonstellingen te krijgen, met twee solotentoonstellingen en een groepstentoonstelling tot gevolg. In de Kunstsalon Ludwig Schames in Frankfurt am Main gaat in november 1917 een omvangrijke expositie met 126 werken van Heckel door, waaronder 23 schilderijen uit zijn Vlaamse periode. Zoals alle andere tentoonstellingen van zijn werk tijdens de oorlog, heeft Heckel ook deze niet kunnen zien.

In de herfst van 1924 keert Heckel samen met Siddi terug naar Vlaanderen. In Oostende gaan ze bij Ensor op bezoek. In hetzelfde jaar maakt hij een eerste portret van de Oostendenaar (vernield in 1944). In 1930 schildert Heckel een tweede versie.

Heckel krijgt een tentoonstellingsverbod in 1937. Ongeveer 780 werken (meestal werken op papier) worden als “Entartete Kunst” uit publieke verzamelingen in beslag genomen; vijftien ervan worden op de gelijknamige propagandatentoonstelling tentoongesteld.

Tijdens hun Berlijnse periode zagen David Bowie (Heroes, 1977) en Iggy Pop (The Idiot, 1977) het schilderij Roquairol in het Brücke-museum. Het inspireerde hen tot het maken van een reeks foto’s waarbij ze een soortgelijke houding aannamen.

In januari 1944 wordt Heckels atelier in Berlijn-Wilmersdorf door een brandbom getroffen. Alle originele blokken van zijn houtsneden, acht houten beelden, honderden werken op papier en zeventien schilderijen gaan in de brand verloren. Na de wapenstilstand woedt brand in een opslagplaats van Heckels werken, en wordt o.m. het origineel van de Madonna van Oostende vernield. Na de oorlog wordt hij docent.

Heckel overlijdt op 27 januari 1970 in Radolfzell am Bodensee. In 1982 overlijdt Siddi in hun huis in Hemmenhofen.