
Drafts. From Rubens to Khnopff.
Hoe ontstaat een kunstwerk? Dit is de vraag die de Koninklijke Musea voor Schone Kunsten van België (KMSKB) proberen te beantwoorden met een tentoonstelling gewijd aan de schets.
Ontdek een fascinerende reis door een honderdtal kunstwerken, waarbij de bezoeker wordt ondergedompeld in de intimiteit van de artistieke creatie. Stap binnen in het atelier en probeer de essentie van het kunstwerk te vatten, vanaf het eerste idee op een blanco vel, een houten paneel of een stuk karton. Deze onderdompeling belooft verrijkende ontdekkingen, en biedt een nieuw perspectief op de coulissen van creaties door iconische kunstenaars zoals Rogier van der Weyden, Rembrandt, Rubens, Magritte en vele anderen.
Deze unieke tentoonstelling is opgesteld rond de uitzonderlijke collecties van de Koninklijke Musea voor Schone Kunsten van België en vormt het sluitstuk van een grootschalige restauratiecampagne die bijna 2 jaar lang door de teams van het museum werd gevoerd.



Het Italiaanse schizzo, dat zelf is afgeleid van het Latijnse schedius (‘meteen of direct uitgevoerd’) en het Griekse OXÉ610Ç (‘haastig vervaardigen’). Het Italiaanse werkwoord schizzare betekent zowel ‘spuiten, spatten, opwellen’ als ‘schetsen’. De etymologie maakt duidelijk dat schetsen altijd iets onvoltooids, voorbereidends en spontaans hebben. Verder vormen schetsen naar het leven of naar een ander kunstwerk altijd een essentieel onderdeel van het op het praktijkgerichte leerproces. Vaak klein van formaat, werden ze zowel op papier, als op doek vervaardigd en later ook met olieverf op paneel. Hiermee werd gezocht naar de juiste houdingen, bewegingen, lichteffecten en kleureffecten van de uiteindelijke compositie. Ze zijn de meest directe uitdrukking van de hand van de meester. In enkele spontane gebaren maken ze het denkproces van de kunstenaar zichtbaar.








In de jaren 1632-39 maakte Rembrandt een reeks studies van individuen waaronder boeren, bedelaars, toneelspelers en oosterlingen. Vooral de hoofddeksels die de meeste van de modellen dragen, springen in het oog. Voor de uitwerking van het gezicht gebruikte de kunstenaar een fijnere pen dan voor het lichaam en de kleding. Enkele lijnen in het kostuum zijn doorheen de jaren nog krachtiger geworden omdat de galnoteninkt die Rembrandt gebruikte het papier aantastte, een chemisch proces dat inktvraat wordt genoemd. In de zone ter hoogte van de armen ziet men Rembrandt aan het werk, tekenend ‘naar het leven’: het model wijzigt een paar keer de houding van zijn armen terwijl Rembrandt die probeert ‘vast te leggen’. De kunstenaar corrigeert niet. Hij registreert over elkaar heen wat hij voor zijn ogen achtereenvolgens ziet gebeuren.
Laatste eerbewijzen aan Egmont en Hoorn is een olieverfschilderij van Louis Gallait uit 1851. In de volksmond staat het bekend als “les têtes coupées”. Om het effect van een zojuist afgeslagen hoofd te verkrijgen heeft Gallait voor de figuur van Egmond (op de voorgrond) de kop van de misdadiger Bomal gebruikt. Hij had het rechtstreeks van de guillotine naar zijn atelier laten brengen. Achter de baar houdt een Spaanse soldaat de wacht en observeert een spion van Alva de uitdrukkingen op het gezicht van de gildeleden. De terechtstelling vond 5 juli 1568 publiekelijk plaats op de Grote Markt, als afschrikwekkende waarschuwing om niet in trouw aan de Spaanse koning te kort te schieten. Het gebeuren verwekte grote beroering, en niet alleen in Brussel. Zelfs van Spaansgezinden kon men horen, dat deze straf wel heel erg streng was geweest. Egmond was immers niet, zoals vele van de edelen, tot het protestantisme overgegaan.

Alfred Stevens (1823-1906), De Dame in het geel
De portretkunst is een apart genre omdat de schilder zijn model lang moet kunnen observeren. Hij moet niet alleen diens voorkomen, maar ook zijn persoonlijkheid, oproepen. De geportretteerde had vaak niet de tijd om gedurende de vele uren die nodig waren om een schilderij te voltooien, te poseren. Het was aangeraden om véér het schilderen, de essentie van het model vast te leggen in een schets waarop de kunstenaar kon terugvallen om ‘zijn geheugen op te frissen’, zoals Roger de Piles schreef. Het kon gaan om een simpele potloodschets, maar die kon ook met kleur worden gehoogd, zodat het resultaat, zoals bij Stevens, soms een onvoltooid werk leek.
De KMSKB behoort tot de 4 musea met het meest geschilderde schetsen van Rubens. Nooit eerder had een kunstenaar uit de Nederlanden zoveel gebruik gemaakt van gekleurde olieverfschetsen op paneel als Rubens. Zijn invloed op dit gebied was cruciaal. Waarschijnlijk ontleende hij het idee voor het uitvoerige kleurgebruik bij Venetiaanse schilders zoals Titiaan, Veronese en Tintoretto. Hij noemde deze kleurschetsen disegni colorati. Je herkent ze aan hun ritme en het schijnbare gemak waarmee de penseelstreken zijn aangebracht. Rubens schetste de figuren met snelle trekken en voegde dan lichte, doorschijnende (soms wat dikkere) kleurtoetsen toe. Het geheel oogt telkens heel spontaan. Rubens’ schetsen vervulden vaak meerdere functies: proefterrein voor zichzelf, modello voor de opdrachtgever en referentie voor de medewerkers die het uiteindelijke werk uitvoerden.
In onze contreien dateren de eerste olieverfschetsen op paneel of doek uit de zestiende eeuw. In het spoor van Rubens nam dit soort schetsen in de volgende eeuw een hoge vlucht. Voor kunstenaars werd het een gewoonte om gekleurde compositieschetsen te maken die op verkleinde schaal alle elementen van het beoogde schilderij bevatten. Ze dienden om de schikking, de kleurverdeling en de licht-en-schaduweffecten in te schatten. Deze schetsen konden verschillende vormen aannemen en uiteenlopende functies vervullen, van primi pensieri (eerste gedachten) over kleine bozzetti (gedetailleerde voorbereidende schetsen voor gravures, die in het atelier bewaard werden) en ricordi (herinneringen aan werken die het atelier verlaten hadden) tot modelli (om aan de klant te presenteren). In deze periode evolueerde de status van schetsen van voorbereidend naar op zichzelf staand. Deze autonome werken waren soms ondertekend door de kunstenaar en werden bij kunstkenners een geliefd verzamelobject.
De gouden stad is onmiskenbaar het meest besproken werk van Anne Bonnet, waarschijnlijk minder vanwege zijn cruciale plaats in haar carrière dan vanwege de vijf bewaard gebleven voorbereidende schetsen ervoor. Zoals de meeste andere leden van La Jeune Peinture belge (1944—1948) kwam ook Anne Bonnet pas na het einde van dit groepsavontuur tot de abstractie. Kunstcritici aarzelden om haar werk ‘abstract’ te noemen omdat ze gehecht bleef aan het observeren van de natuur en die vervolgens uitpuurde, iets waar in de opdeling tussen ‘abstract’ en ‘figuratief’ geen plaats voor was. Voor Bonnet waren steden en begraafplaatsen vindplaatsen van abstracte motieven. De naam van de composities waarin ze deze verwerkte, verwijst vaak nog naar die plaatsen. De gouden stad komt voort uit een reis door continentaal Griekenland, Kreta, Turkije en Joegoslavië in de zomer van 1955. Ze ontdekte toen ‘de wonderlijke kleine Turkse begraafplaatsen, waar de vorm van de grafstenen afhangt van de leeftijd en de status van de overledene.



Opus 47. Verheerlijking van de machinerie, Victor Servranckx (1923). In februari 1909, verscheen in ‘Le Figaro’ het ongewoon en ophefmakend manifest van het futurisme. Men verheerlijkte erin de machine en verklaarde zelfs onomwonden dat een racewagen mooier was dan de Nikè van Samothrake. Van die dag af zijn voor de schilderkunst de machine en de mechanische techniek onderwerpen van artistieke bezieling geworden. Als pionier van de historische avant-garde in België kiest Victor Servranckx voor de geometrische abstractie, evenwel zonder de figuratie volledig los te laten. De wiskunde en het ruitjespapier van de ingenieur zijn nooit veraf. Meetlat, gradenboog en passer worden zonder schroom gehanteerd.
Beeldhouwwerken werden bijna altijd gemaakt na het ondertekenen van een opdrachtcontract. De beeldhouwer kon pas aan de slag gaan nadat de opdrachtgever een ontwerp had goedgekeurd. Dat kon een tekening zijn, maar vaak ook een driedimensionaal model gemaakt in goedkope materialen zoals klei, was of gips. Het was niet ongebruikelijk dat de kunstenaar om de plaatsing van het werk in de ruimte te visualiseren en de lichtinval te onderzoeken meerdere, steeds grotere en vaak ook meer gedetailleerdere ontwerpen maakte. Zodra het ontwerp was goedgekeurd, ging de beeldhouwer verder met de volgende fase, het maken van het beeldhouwwerk in het gekozen materiaal, brons, marmer of steen, wat veel duurder en lastiger te bewerken was.
















