
Hungarian National Gallery, Budapest
In de Burcht van Buda op de heuvel bevindt zich het Nationaal Museum. De collectie omvat alle genres: middeleeuwse, renaissance-, gotische en barokke Hongaarse kunst en ook de werken van vele Hongaarse kunstenaars uit de 19e en 20e eeuw die in Parijs en andere Europese steden werkten.
In dit grote, ouderwetse museum kan je het kruim van de Hongaarse schilders terugvinden. Wie zijn de sterren uit de Hongaarse kunstgeschiedenis?
Mihály Munkácsy
Mihály Munkácsy (1844 – 1900) is waarschijnlijk wel de meest gevierde Hongaarse schilder. In typisch Hongaarse stijl werd hij geboren in een dorp dat nu niet meer in Hongarije ligt (maar in Oekraïne), als zoon van een ambtenaar van Beierse afkomst.
In 1869 schilderde Munkácsy zijn veelgeprezen werk “The Condemned Cell”, dat wordt beschouwd als zijn eerste meesterwerk. Het schilderij werd beloond met de Gouden Medaille van het Parijse Salon in 1870 en maakte Munkácsy in één klap tot een populaire schilder. Samen met zijn vriend, landschapskunstenaar László Paál, verhuisde hij naar Parijs, waar hij tot het einde van zijn leven woonde.
Realisme in schilderkunst ontstond in de jaren 1850 in Frankrijk, verspreidde zich daarna naar Engeland en heel Europa en bloeide tot de eeuwwisseling. Het belangrijkste doel was het objectief weergeven van de hedendaagse samenleving en realiteit. De realistische schilders en hun naturalistische opvolgers namen hun onderwerpen uit de moderne wereld, en legden zonder versiering het dagelijks leven van mensen uit verschillende segmenten van de samenleving vast. Als reactie op problemen in de samenleving ontstond het maatschappijkritisch genrestuk. Deze nieuwe ideeën beïnvloedden Mihály Munkácsy sterk, zoals blijkt uit de vele meesterwerken uit zijn eerste creatieve periode.




Victor von Madarasz
Voor romantische en patriottische idealen moet je bij Victor (von) Madarasz zijn. Hij was een luitenant in de onafhankelijkheidsoorlog die tegen de Habsburgers werd gevoerd in 1848-49, een ervaring die zijn verdere leven bepaalde. Hij wijdde zijn kunst aan het idee van onafhankelijkheid en herinnert aan de heroïsche en tragische histories in de Hongaarse geschiedenis. Nadat Hongarije was verslagen, leefde hij in ballingschap, waarna hij rechten ging studeren, wat hij al snel opgaf voor schilderen.
Dozsa’s People, 1868

In de vroege zestiende eeuw kwam een groep boeren, onder leiding van György Dózsa, in opstand tegen de adel. De opstand werd wreed onderdrukt en veel mensen werden geëxecuteerd. De scène in dit schilderij is uitsluitend gebaseerd op de legende: onder dekking van de nacht klommen enkele overlevenden naar de galg om de lichamen van hun kameraden te halen. Dit is een van de vele werken waarin Madarász volksverhalen uit het verleden verhief tot de rang van geschiedenis. De compositie leest als een allegorie: de solidariteit onder de boeren die hun kameraden van de galg halen, kan worden vergeleken met de toewijding van de discipelen van Christus bij de Kruisafname.
Mourning of László Hunyadi, 1859

Op het schilderij ligt László Hunyadi, zoon van János Hunyadi (de “Turkenslager”) en broer van de toekomstige koning Matthias I (Matthias Corvinus), voor het altaar van de Kerk van Maria Magdalena in Boeda. Zijn moeder en verloofde knielen voor de katafalka. Hunyadi werd op 16 maart 1457 onthoofd op bevel van koning Ladislaus V, die vreesde voor zijn kroon, waarmee hij de eed brak die hij had gezworen om de familie Hunyadi te beschermen. Het verhaal van László Hunyadi was in de negentiende eeuw enorm populair in Hongarije, omdat het schrijvers in staat stelde om de immoraliteit van een buitenlandse heerser te bespreken, en werd zo de basis voor talrijke literaire en theatrale werken. De held uit de vijftiende eeuw werd omgevormd tot een symbool van 1848, en het werk van Madarász werd het emblematische schilderij van nationale zelfopoffering. Het idee van zelfopoffering wordt versterkt door de compositie van het schilderij, die de iconografie van de Klaagzang van Christus volgt; op deze manier bood het schilderij ook de belofte dat de Hongaarse natie opnieuw zou opstaan.
Imre Revesz, Panem, 1899

In Hongarije rond de eeuwwisseling leidden armoede, werkloosheid en de schijnbaar hopeloze strijd om te overleven tot een groeiende steun voor de arbeidersbewegingen. Hongaarse schilders in de late negentiende eeuw, voortbouwend op Mihály Munkácsy’s traditie van “kritisch realisme”, wendden zich vaak tot beelden van de laagste, meest verarmde lagen van de samenleving, en probeerden deze met zoveel mogelijk realisme en empathie af te beelden. Imre Révész werd geïnspireerd om dit schilderij te maken na het van dichtbij zien van de menigte mensen die zich verzamelden op de “menselijke markt” in Szentes, allemaal op zoek naar werk. De kracht van het schilderij komt voort uit zijn karakterportrettering, een kenmerk dat ook zo breed werd geprezen in de werken van Munkácsy, de diversiteit aan gezichtsuitdrukkingen en de expressiviteit van de handen. De handen lijken in dit werk een eigen leven te leiden, met een geleidelijk toenemende emotie van de achterkant van het schilderij naar de voorgrond: terwijl de handen van de mensen verderop slechts een stok vasthouden of er pathetisch naast hangen, is die van de oude man vooraan in de rij tot een vuist gebald.
József Kosta (1861 – 1949)



Kosta woonde jarenlang op een boerderij op de Grote Hongaarse Laagvlakte – het boerenleven en de wijdse landschappen zijn het onderwerp van zijn werken, die mij doen denken aan de Latemse School en Jacob Smits.
Pal Szinyei Merse (1845-1920)


Pål Szinyei Merse’s “Picnic in May” is een van de bekendste en belangrijkste werken van de Hongaarse schilderkunst. Nochtans werd het destijds nieuwe en controversiële werk slecht ontvangen door de critici, die het “vreselijk prozaïsch” noemden. Het gewone karakter en de eenvoudige, niet-nostalgische viering van het leven maakten dit schilderij modern en, tijdelijk verkeerd begrepen. “Picnic in May” werd tentoongesteld op de Wereldtentoonstelling in Wenen in 1873, op een nogal nadelige plaats, wat Szinyei ertoe aanzette het werk terug te trekken. Het schilderij werd opnieuw tentoongesteld in Boedapest in 1896, waar zijn moderne stijl nu werd ontdekt door de jongere generatie kunstenaars. Vanaf dat moment werd Szinyei beschouwd als de intellectuele en artistieke “vader” en pionier van de moderne Hongaarse schilders.
Tivadar Csontvary Kosztka, Waterfall at Schaffhausen, 1903
Tivadar Csontváry Kosztka (1853 – 1919) is ook een grote naam in Hongarije. Hij werd geboren in een dorp dat nu behoort tot Slovakije, als zoon van een apotheker van Poolse afkomst. Hij begon zijn loopbaan ook als apotheker maar besliste later schilder te worden. Hij maakte deel uit van de avant-garde beweging van de vroege twintigste eeuw met zijn monumentale Post-impressionistische / expressionistische werken.

Imre Szobotka, Double Self-Portrait, 1920

Ook Imre Szobotka reisde in 1910 naar Parijs, zoals zoveel van zijn voorgangers. De kubistische schilderijen die in 1911 op de Salon des Indépendants werden getoond, maakten grote indruk op hem, en tegen 1913 en 1914 exposeerde hij zijn werk al naast hen. In zijn Dubbel Zelfportret experimenteerde hij met de verzoening van natuurlijk zicht en een abstracte, kubistische benadering.
Lajos Tihanyi (1885-1938)
Lajos Tihanyi, een van de sleutelfiguren van de Hongaarse avant-garde beweging die ontstond in de jaren 1910, combineerde elementen van expressionisme, fauvisme, kubisme en futurisme in zijn schilderijen. Na de val van de Hongaarse Republiek in 1919, werd hij gedwongen tot ballingschap, en verhuisde naar Wenen en later naar Berlijn. Tegen 1924 vestigde Tihanyi zich in Parijs – als onderdeel van de Hongaarse kring, leerde hij andere buitenlanders in Parijs kennen, waaronder Amerikanen zoals de schrijver Henry Miller


In zijn levensgrote zelfportret, uitgevoerd in zijn atelier in Berlijn, zien we de kunstenaar voor een enorm glazen raam, uitkijkend op de voorstedelijke fabrieksgebouwen. De manier waarop de objecten worden getoond vanuit meerdere gezichtspunten, de gefragmenteerde vlakken en de vervormde vormen zijn allemaal typische kenmerken van de avant-garde kunst van die periode.
Hugo Scheiber, Funfair, 1932
Als jongeman werkte Hugó Scheiber als assistent van zijn vader, een bordenschilder, tussen de kraampjes en circustenten van de Prater-kermis in Wenen. Hij voelde zich zowel aangetrokken tot als afgestoten door de wereld van met vetkrijt beschilderde clowns, gewaagde trapezeartiesten en uitdagende vrouwelijke ruiters.

Geïnspireerd door het Italiaanse futurisme, toont Scheiber de menigte rond de draaimolen vanuit een vogelperspectief, en van bovenaf lijken de mensen des te onbeduidender en sterfelijk. Het wiel blijft draaien, en uiteindelijk zal iedereen aan de beurt komen. De verre lichten van de stad en de contouren van hoge gebouwen kunnen worden onderscheiden tegen het blauw van de schemerige lucht. De Italiaanse futuristen beschouwden Scheiber als een van hen, en op hun nationale tentoonstelling in Rome in 1933 vroeg hun leider, Filippo Tommaso Marinetti, om twee kamers te reserveren voor Scheiber om zijn werken te presenteren in een solotentoonstelling.









