Zeldzaam en Onmisbaar (MAS, Antwerpen)

dinsdag 31 oktober 2023 tot zondag 25 februari 2024

Het Museum aan de Stroom brengt ter ere van de twintigste verjaardag van het Vlaams Topstukkendecreet een selectie van een kleine 100 werken uit de Vlaamse Topstukkenlijst. Dat decreet zorgt ervoor dat topstukken die aan de criteria “zeldzaam en onmisbaar” voldoen, niet zomaar Vlaanderen mogen verlaten en dat ze zo goed mogelijk worden beschermd en bewaard.

‘Zeldzaam & Onmisbaar’ is een absolute must-see die je meeneemt op een kunsthistorische wandeling langs verschillende parels uit Vlaamse collecties. Zo’n 35 grote en kleine musea, maar ook kerken, bibliotheken en particuliere verzamelaars geven de Topstukken uit hun collectie tijdelijk in bruikleen.

Middeleeuwse manuscripten, beroemde schilderijen van Hugo Van der Goes, Rubens, Jordaens, Ensor, Magritte en Bacon, beelden van Lucas Faydherbe en Henry Moore, een tekening van Michelangelo (de enige van Vlaanderen) maar ook kostbaar zilver, een aardglobe van Mercator en een zeldzaam meubel van Pierre Gole, de meubelmaker van de Franse koning Louis XIV.

De Middeleeuwen

Reliekschrijn van Sint-Odilia, Maaslands meester, 1292

Van de dertiende-eeuwse paneelschilderkunst uit onze contreien bestaan in België slechts twee voorbeelden. Het Sint-Odiliaschrijn is het belangrijkste, mede omdat we dankzij een contemporain archiefstuk weten dat het in 1292 gereed was om het gebeente van de heilige Odilia te bewaren.

Het reliekschrijn vertelt de legende van de vijfde-eeuwse Engelse prinses Odilia, die met de heilige Ursula en haar gevolg van elfduizend maagden naar Rome op bedevaart ging. Bij hun terugkeer werden ze allen in Keulen door de Hunnen vermoord.

De beschilderde kist leest als een stripverhaal. De vertelling begint bij het dakpaneel. Uitgebeeld zijn de pelgrimsreis Rome, de terugkeer naar huis, de moordscène en ten slotte het historische moment in 1287, wanneer de relieken van de heilige Odilia door de kruisheer Johannes de Eppa in Keulen worden teruggevonden. De relieken werden naderhand ondergebracht bij de kruisheren in Hoei, die er de houten kist voor lieten maken.

Passieretabel, (omgeving van) Jan Borman III, 1520-30

Dit huisaltaar toont drie scènes uit het lijdensverhaal van Christus. Centraal is de Calvarieberg met de kruisdood van Christus afgebeeld, al zijn de drie kruisen met Christus en de twee veroordeelden verdwenen. Op de voorgrond wordt Maria, in diepe rouw, ondersteund door Johannes, Maria Magdalena en Maria van Klopas. De linkerscène verbeeldt de Kruisdraging met Veronica die Christus een doek aanreikt om zijn bezwete en bebloede gezicht te deppen. De Bewening rechts toont twee vrome mannen die een purperen lijkwade uitspreiden. Maria, Johannes en twee Heilige Vrouwen ontfermen zich over het dode lichaam. Ook in dit tafereel ontbreekt het kruis; alleen de ladder waarmee de dode Christus van het kruis werd gehaald is nog aanwezig.

Het huisretabel wordt toegeschreven aan de uit Leuven afkomstige familie Borman. Vanaf de late middeleeuwen domineerde die vier generaties lang de Brusselse beeldhouwkunst. Het zeer productieve Brusselse atelier van de Bormans was internationaal vermaard om zijn religieuze beelden, grafmonumenten en liturgisch meubilair in hout, steen of koper. De waardige en beheerste expressie van de stijl van de Bormans kende een groot succes in Europa.

Calvarie met donorpaar, Quinten Massys, ca. 1500-1520

Een monumentaal altaarstuk van Quinten Massys (1465/1466-1530) in ruil voor een nieuw dak. Dat is het verhaal achter de aankoop van dit schilderij door de Antwerpse verzamelaar Fritz Mayer van den Bergh (1858-1901). De pastorie van de Heilige Maagdkerk in Bergen op Zoom (Nederland) heeft op het einde van de negentiende eeuw een nieuw dak nodig. Om aan de nodige financiële middelen te geraken, wordt dit drieluik van de hand gedaan. Fritz Mayer van den Bergh koopt deze prachtige Calvarie op 22 augustus 1897 via een tussenpersoon voor 2.000 oude Belgische frank.

Quinten Massys trok omstreeks 1500 naar Antwerpen komt, op het moment dat de stad uitgroeit tot het belangrijkste kunstencentrum van de Nederlanden. Veel kunstenaars vestigen zich er, aangetrokken door de internationale kunstmarkt. Massys zelf, ‘de vader van de Antwerpse schildersschool’, werd een bijna legendarische figuur.

Nieuwe tijden, Oude bronnen: de Renaissance

Portret van Jacquemyne Buuck, Pieter Pourbus, 1551

Op zijn zevenentwintigste schilderde Pieter Pourbus enkele van zijn meest geroemde werken. Deze helft van een huwelijksportret toont Jacquemyne Buuck. Een hondje dat de echtelijke trouw symboliseert, vergezelt haar. Het is duidelijk dat Pourbus genoegen beleefde aan het schilderen van texturen. Jacquemynes kleding is een genot voor het oog. Ze draagt een op het eerste oog sobere jurk die langs de hals en de mouwen met bont is afgezet. Een geborduurde kokerkraag omsluit haar hals en ook haar donkerrode mouwen zijn afgezet met kant. Een gesteven schouderkap gevoerd met damast en afgewerkt met kant, een kanten haarkapje, geborduurde handschoenen en een gebedssnoer vervolledigen haar tenue.

Catharina van Hemessen, Jonge dame met hondje, ca 1560?

Dit portretje van een dame met hond is van de hand van Catharina van Hemessen, dochter van Jan van Hemessen (c. 1500-1556/57), een van de belangrijkste Antwerpse schilders van de zestiende eeuw. Zij groeide op in een humanistisch milieu dat openstond voor intellectueel en artistiek onderricht voor meisjes en schopte het niet alleen tot kunstenares maar ook tot gezelschapsdame en artistieke leermeesteres van de filles d’honneur aan het hof van Maria van Hongarije, waar haar echtgenoot, Kerstiaen de Moryn, organist werd. Haar bijzondere positie blijkt ook uit het feit dat ze een van de weinige zestiende-eeuwse vrouwelijke schilders was wier naam is overgeleverd doordat Lodovico Guicciardini haar vermeldde in zijn Descrittione di tutti i Paesi Bassi (1576). Bovendien is zij de enige uit die periode van wie nu nog gesigneerd werk bestaat.

Van Hemessens productie strekte zich uit over een periode van een kleine vijftien jaar, van omstreeks 1548 of iets daarvoor tot circa 1560. In het totaal zijn slechts dertien gesigneerde werken van haar hand bekend: vier historiestukjes en negen portretten. Ofschoon het hier besproken portret niet gesigneerd is, vertoont het de typische lineaire penseelvoering en het kleine formaat die eigen zijn aan haar werk. Zowel typologisch als stilistisch sluit het opvallend mooi aan bij het gesigneerde Portret van een vrouw met een hond in de Londense National Gallery (NG 4732). De kledij en accessoires wijzen echter in de richting van een vroegere datering, iets voor 1550.

We weten niet wie de geportretteerde was, maar ze was duidelijk welgesteld. Haar hemd, zichtbaar aan de nek en polsen, is versierd met goudkleurig borduurwerk en haar toilet is afgewerkt met een gouden geknoopte halsketting en ringen. Een kleine hond met belletjes aan zijn halsband, die wat onzeker op haar rechterarm is geposteerd, kijkt ons indringend aan.

Album amicorum Nicolaas en Adriaan Rockox, 1579 – 1636

Onze poëziealbums zijn de nazaten van de alba amicorum uit de zestiende eeuw, toen het in studentenkringen gebruikelijk werd om een vriendenalbum bij te houden. Deze bijzonder mooie bundeling van dedicaties, spreuken en illustraties behoorde toe aan Nicolaas Rockox (1560-1640), meervoudig burgemeester van Antwerpen, en zijn acht jaar jongere broer Adriaan (1568-1638), de kanunnik. Het gedeelde gebruik, extra onderstreept door een opdracht aan beide broers tegelijk (fol. 64), maakt dit stuk zeer uitzonderlijk.

Door de vele afbeeldingen van modieus geklede dames en heren waant men zich in een zestiende-eeuwse modeshow. Op de meeste bladzijden wapperen ook rijkversierde wapenschilden van de jeugdige edellieden die in Leuven, Douai en Parijs samen met de broers studeerden. Op studentikoze schunnigheden vallen de vrienden van de Rockoxen echter niet te betrappen. De heren houden het steeds bedachtzaam.

Clara Peeters

Deze bloemstillevens werden door Fritz Mayer van den Bergh samen aangekocht op een veiling in Londen (1896). Vanwege hun identieke afmetingen en sterk verwante composities worden ze algemeen als tegenstukken beschouwd. De pendanten zijn niet gesigneerd maar worden toegeschreven aan de Antwerpse schilderes Clara Peeters, een tijdgenote van Rubens (1577-1640) en van de succesvolle stillevenspecialist Frans Snijders (1579-1657).

Informatie over het leven en de opleiding van deze Antwerpse kunstenares is schaars. Recent onderzoek heeft aangetoond dat ze geboren werd als Clara Lamberts in de derde generatie van een Mechelse schildersfamilie. Haar ouders verhuisden al snel naar Antwerpen, waar ze in 1605 trouwde met de verder onbekende schilder Henrick Peeters II. Hoogstwaarschijnlijk werd ze door haar vader en/of echtgenoot in de schilderkunst opgeleid.

Vanaf het eerste decennium van de zeventiende eeuw waagde Clara Peeters zich aan het bloemstilleven, een voor die tijd zeer vooruitstrevend genre dat op dat ogenblik in Antwerpen beoefend werd door Jan Brueghel 1 (1568-1628) en Osias Beert I (1580-1623). Ze blonk uit in botanische nauwkeurigheid door studie en observatie van echte bloemen, maar liet zich ook inspireren door de populaire publicaties over fauna en flora die eind zestiende eeuw in Antwerpen werden gepubliceerd.

In die tijd behoorden stillevens met bloemen tot de duurste werken op de kunstmarkt. Rond 1611 waren Peeters’ schilderijen zeer gewild en vonden ze hun weg naar de rijke burgerij en aristocratie in binnen- en buitenland.

De Barok, de kunst van het effect

Het Portret

Gustave Van de Woestyne, De twee Lentes, 1910

In 1915 schreef Van de Woestyne: ‘… mijn schilderij “de twee lenten” stelt twee jonge meisjes voor: de ene is van den buiten met een rood lijfke aan en de andere is van de stad met een grote hoed, belegd met een grote rode pluim op het hoofd’ Hij beschrijft de tegenstelling tussen de onschuldige eenvoud van het platteland e de chique arrogantie van de stad. Een open en ongekunsteld boerenmeisje tegen een opgesmukte stadsvrouw die zich achter haar kleren verbergt. Het contrast kom ook tot uitdrukking in de andere titel van het werk: ‘De veldmuis en de stadsmus’. Wellicht is het onderwerp gebaseerd op het eerste bezoek van Gustave en zijn vrouw Prudence, een boerendochter, aan zijn broer Karel en diens vrouw te Brussel.

De kracht van het schilderij ligt vooral in de directheid van inhoud en vorm. Hoewel de figuren bijna het hele beeldvlak vullen, blijft de compositie helder, sober en verstild. De contrasterende rode en zwarte kleurvlakken ondersteunen de weergave van de twee zo verschillende vrouwen.

Het Zelfportret

Zelfportret, Josse-Sébastien Van den Abeele, ca. 1830

Zoals veel tijdgenoten vertrok Josse-Sébastien Van den Abeele na zijn leertijd in Gent en Parijs naar Italië, waar hij in Rome (1824-30) en Florence (1831-37) verbleef.

Zwervend door de Campagna, onder meer met Belgische kunstenaarsvrienden als Frans Vervloet (1795-1872), schrijft hij in 1825: ‘Ik heb talrijke studies en aquarellen gemaakt van dit prachtige Romeinse landschap waar het licht en de lucht bedwelmend zijn”. De zinsnede verraadt zijn romantische kijk op wat hem omringt, wat ook in het zelfportret tot uiting komt. Zo vermijdt Van den Abeele het contact met de toeschouwer buiten het schilderij. Zijn dromerige, licht vochtige blik rust op iets buiten het beeldvlak, alsof hij in vervoering raakt door de overweldigende schoonheid van de cultuur en natuur rondom hem. Spiegelt hij zich hier aan het portret dat Anne-Louis Girodet-Trioson (1767-1824) ongeveer vijftien jaar eerder schilderde van Chateaubriand, mediterend in de buurt van het Colosseum in Rome?

Middeleeuws en Modern

Christus en Johannes, Meester Heinrich von Konstanz, ca. 1312

De bijna levensgrote sculptuur van Christus en zijn lievelingsapostel Johannes de Evangelist is een meesterwerk van de Duitse gotische beeldhouwkunst. De jonge Johannes leunt met gesloten ogen tegen de borst van Christus. Zijn rechterhand rust in de rechterhand van Christus, wiens linkerhand beschermend op Johannes’ schouder ligt. Wakend over de apostel kijkt Christus, een zweem van een glimlach op de lippen, de toeschouwer minzaam in de ogen.

Het is een krachtig Andachtsbild, een devotiestuk van liefde, verbondenheid en intimiteit. Zulke intieme devotiebeelden spelen in op het gevoel van de gelovige en dragen bij aan diens vereenzelviging met de heilige en inleving in de afgebeelde scène. Ze staan nauw in verband met de opkomst en groei van het christelijke mysticisme in Europa in de late dertiende en vroege veertiende eeuw. Door zijn vrouwelijke trekken en elegante houding, de roze blos op zijn wangen en veelal ook het lange haar, konden de nonnetjes zich makkelijk identificeren met de jonge, baardloze apostel. De verstrengelde rechterhanden verwijzen naar het huwelijk en brengen een extra betekenislaag in het beeld: die van de mystieke relatie tussen de bruidegom, Christus. en de bruid, de gelovige.