Zeldzaam en Onmisbaar

Fin de Siècle Museum
Het Fin-de-Siècle Museum is gevestigd in het KMSKB en is gewijd is aan de jaren 1900, een periode waarin Brussel een uniek artistiek knooppunt was en het centrum van de art nouveau. Bekende beeldende kunstenaars zoals Constantin Meunier, James Ensor, Henri Evenepoel, Fernand Khnopff, Léon Spilliaert of Georges Minne weerspiegelen de opwinding van deze periode, die ook tot uiting kwam in alle andere creatieve gebieden: literatuur, opera, muziek, architectuur, fotografie of poëzie (Maurice Maeterlinck, Emile Verhaeren, Octave Maus, Victor Horta, Henry Van de Velde, Maurice Kufferath, Guillaume Lekeu…).




Fernand Khnoppf, Luisterend naar Schumann, 1883

De in Grembergen geboren Fernand Khnopff gaat in 1876 naar de Académie des Beaux-Arts in Brussel, waar hij schilder- en tekenlessen volgt met een jongen die eveneens een beroemd symbolistisch kunstenaar zal worden: James Ensor. Ze schijnen elkaar van meet af aan niet gelegen te hebben. In ieder geval hebben ze zeer onderscheiden karakters; Khnopff is introvert en verlegen, Ensor extravert en brutaal. Toch zijn ze samen betrokken bij de oprichting van de roemruchte Brusselse kunstenaarsvereniging Les XX. Twee jaar voor de oprichting portretteert Ensor twee medeschilders terwijl ze door muziek communiceren: Anna Boch speelt piano en Willy Finch kijkt en luistert ernaar, in het type burgerlijke salon dat Ensor zo verfoeit. Hij noemt het doek La musique Russe, waarschijnlijk omdat op dat moment Russische muziek een vrij nieuw en spectaculair exotisch fenomeen is in West-Europa. In 1886, als Ensor Musique russe exposeert bij Les XX, beschuldigt hij plots Khnopff ervan het te hebben geplagieerd. In 1883, dus twee jaar na La musique russe, heeft Khnopff zijn moeder geschilderd terwijl die geheel in zichzelf gekeerd, met de hand voor het gezicht, naar pianomuziek luistert. Het decor van En écoutant du Schumann is eenzelfde burgersalon als van La musique russe en er is ook duidelijk sprake van muziek die onhoorbaar klinkt, maar voor het overige zijn de schilderijen totaal verschillend. De man op La musique russe kijkt naar de pianiste, kijkt naar de muziek, die, zoals de titel aangeeft, waarschijnlijk expressief, beweeglijk en ritmisch is, terwijl En écoutant du Schumann een geheel in de muziek verzonken luisteraar uitbeeldt en daarmee de persoonlijke, verinnerlijkte ervaring van het luisteren, hoewel linksboven een stuk piano en een hand zichtbaar zijn. Het is het verschil tussen het aardse van de schilderkunst, van de Russische muziek en van Ensor zelf, en het etherische van de muziek, het intieme van Schumann en het introverte van Khnopffs karakter (https://tijdruimte.nl/artikelen/muziek/Khnopff-Schumann-Ensor)
Fernand Khnoppf, Portret van Marguerite Khnopff, 1887

Dit portret is van zijn zuster Marguerite, een werk waarvan hijzelf nooit afstand wilde doen. Het schilderij was het belangrijkste element in de blauwe kamer in zijn woning in Brussel waar hij zijn geliefkoosde werken en reproducties bewaarde. Na zijn dood kwam het terecht bij zijn zuster Marguerite en bleef het tot in 1984 in handen van de familie. Vervolgens belandde het werk echter in een Amerikaanse privécollectie. De Koning Boudewijnstichting kon het op 28 februari 1991 kopen op een veiling in New York.
Het Portret van Marguerite geldt als de grondslag van Khnopffs portretkunst. Het introduceert een nieuw thema: dat van de mysterieuze vrouw. (https://www.erfgoed-kbs.be/collectie/portret-van-marguerite)
Fernand Khnopff, De streling van de sfinx

Het schilderij verwijst naar Oedipus die op weg naar Delphi een sfinx ontmoet. In het gezicht van de jongeman zit een zelfportret verborgen – het gezicht van de panter is dat van zijn zus Marguerite. Khnopff bewondert de Franse schilder Gustave Moreau en vestigt zich ook enige tijd in Parijs. In 1883 is hij medeoprichter van de Brusselse avant-gardebeweging Les Vingt, waarvoor hij het monogram schildert. Onder invloed van de prerafaëlieten, en meer bepaald Edward Burne-Jones, wordt hij een trouwe volgeling van Sar Péladan, die hem uitnodigt om in 1892 op de eerste Salon van de Rozenkruisers te exposeren. Op de tentoonstelling van de Weense Secession in 1898 doet hij van zich spreken, ook internationaal. De ‘schilder van de geloken oogleden’ zal op zijn beurt kunstenaars als Edvard Munch of Gustav Klimt beïnvloeden.
Charles De Groux, Het dankgebed, 1861

De Groux werd nooit een grote naam maar had veel invloed op jonge, realistische schilders zoals zijn leerlingen Constantin Meunier en Eugene Laermans. Vincent van Gogh was een bewonderaar van zijn werk – De Aardappeleters is geïnspireerd door dit werk.
Léon Frédéric – De krijtverkopers

Hoewel zelf rijk van huize uit voelde Brusselaar Léon Frederic (1856-1940) met het volk mee, vooral met de arme mensen op het platteland. Het was de tijd van de grote arbeidersbetogingen, onder meer voor de invoering van het algemene stemrecht. Met de monumentale drieluik De krijtverkopers uit 1882-1883 brak Frederic op 26-jarige leeftijd door. Frederic had een echte krijtverkoper, Bernard Scie, naar zijn atelier in Schaarbeek uitgenodigd om te poseren (https://www.tijd.be/algemeen/algemeen/de-landman-is-proper-en-devoot/5256713.html)
Léon Frederic, Portret van Elodie Lamotte, 1893


Vanaf 1883 verbleef Frédéric weken en soms maanden in het pittoreske Nafraiture in de Belgische Ardennen. Daar vond hij een keur aan modellen. In 1888 maakte hij het wondermooie Les boëchelles – een Waals dialectwoord voor meisjes (in het KMSKA te Antwerpen). Twee meisjes in een sjofel boereninterieur, zusjes, te zien aan de haarkleur, de gezichten en kledij. De namen van de meisjes bleven echter onbekend. De Franse kunsthistoricus Benjamin Foudral kon hen identificeren als Elodie en Aline Lamotte uit Nafraiture. Hij baseerde zich hierbij op Frederics portret van Elodie Lamotte uit 1893 uit de collectie van KMSKB. Elodies gezichtstrekken en leeftijd hier stemmen overeen met die van het kleine zusje op het portret van 1888. Geboren op 12 maart 1877 was Elodies oudere zus Aline 11 jaar op het duoportret, wat ook klopt met het schilderij uit onze collectie. Tot slot bevestigen de achtergrond met de houten lambrisering en blauwe verweerde wand de identificatie (https://kmska.be/nl/drie-nieuwe-inzichten-over-de-collectie-0)
Eugene Laermans, Een stakingsavond (de rode vlag), 1893
Eugeen Laermans werd geboren op 22 oktober 1864 te Sint-Jans-Molenbeek. Zijn ouders behoorden tot de burgerij. In 1875, op zijn elfde jaar werd hij tengevolge van een hersenvliesontsteking volledig doof. Later zou ook zijn zicht meer en meer verzwakken tot hij in 1924 volledig blind werd en zijn werk moest opgeven. Hij maakte dan de tragische opmerking: ‘Ik ben Laermans niet meer, ik kan niets meer voortbrengen’.

In 1894 toonde hij te Brussel voor de eerste maal zijn doek ‘Stakingsavond’. De jonge Laermans ziet de randgemeenten van de hoofdstad stilaan bezit nemen van de boomgaarden en velden; fabrieksschoorstenen en werkmanswoningen beginnen het landschap te beheersen. De arbeiders worden zich meer en meer van hun rechten bewust en hun misnoegdheid zal uitgroeien tot een algemene staking in 1893.
Henri de Braekeleer, Man aan het venster, 1876
Henri de Braekeleer komt uit een Antwerpse kunstenaarsfamilie met als vader, Ferdinand en als oom, Henri Leys, belangrijke persoonlijkheden in die tijd. De Braekeleer leefde als alleenstaande man samen met zijn drie ongehuwde zussen in een burgerlijk Antwerps herenhuis. Hij was eerder een eenzaat die ’s avonds in driedelig pak zijn hond uitliet.

In 1876 schilderde Henri Man aan het Venster: een man die leunend op een vensterbank door een geopend raam naar buiten kijkt. Essayist Bart Verschaffel wijst er in zijn artikel over De Braekeleer (1995) terecht op dat de reflectie in het glas eigenlijk het interieur van de kamer zou moeten weerspiegelen, in plaats van de omgeving buiten de kamer. Bovendien blijkt de reflectie van de man in het raam geen man maar een vrouw: “Maar ondertussen verbergt De Braekeleer, vlak naast het aandachtscentrum (het hoofd van de man) en tegen de kijkrichting in die met de man naar rechts en naar buiten gaat, in de contouren van de spiegeling het silhouet van een vrouw. Het is té duidelijk: een vrouwenhoed, een bontjas, een kraagje, en vooral: een gouden oorring met een parel. De Braekeleer laat zelfs het gordijn, wat achter het raam geslagen is, onder het raam doorlopen waardoor het als een stuk kleed het silhouet van de vrouw verlengt. En zie, welbeschouwd klopt de hele spiegeling niet: het raam zou de kamer, en niet het vage rood van ‘buiten’ moeten spiegelen.”(https://www.dewitteraaf.be/artikel/het-heimelijke-van-henri-de-braekeleer/)
Constantin Meunier, de Puddelaar, 1888

Met dit beeldhouwwerk, Rustende puddelaar, verwierf Meunier internationale faam: voor het eerst prijkte een beeld van een gewone mens in de woonkamer van de bourgeoisie.
Rond 1875 komt er een totale ommekeer in de thematiek en stijl van Meunier. Hij bezoekt Cockerill in Seraing, de glasblazerij van Val Saint_lambert en de steenkoolmijnen in de Borinage. Het harde werk van de arbeiders wordt zijn nieuw thema; een sociaal realisme dat begaan was met de problematiek van het uitgebuite proletariaat.
Zijn respect en ontzag voor de zware arbeid heeft Meunier ook in zijn schilderijen uitgedrukt. In ‘De verwijdering van de gebarsten smeltkroes’ laat hij de metaalarbeiders zien in volle inspanning: allemaal samen, solidair trekkend en sleurend om die kroes uit de oven te krijgen, want het productieproces mag zo min mogelijk onderbroken worden. De zowat bovenmenselijke inspanning geeft duidelijk iets heroïsch aan het gebeuren.

George Minne, Drie Heilige Vrouwen bij het graf, 1898

George Minne beeldhouwt “De drie heilige vrouwen bij het graf” (1898) op de manier van de “pleurants”. Er is van alle vrouwen samen hooguit één hand te zien; al de rest verdwijnt in kap en mantel. Maurice Maeterlinck schreef: “George Minne is de grote verbeelder van de pijn. Hij stamt in rechte lijn af van die bewonderenswaardige Vlaamse kunstenaars uit de Bourgondische periode.”
Louis Artan de Saint Martin, Het Wrak, 1871
Bij het begin van 1869 werkt Louis Artan vooral te Blankenberge en te Heist: hier is het dat enkele van zijn grote en magistrale zeestukken ontstaan, onder meer zijn ‘Noordzee’ en zijn ‘Wrak’, beide daterend uit 1871.
In de laatste jaren van zijn leven toverde hij een voormalige douaneloods op het strand van De Panne om tot schilderatelier waarvan het onderstel bij vloed onder water kwam te staan.
Théo Van Rysselberghe, Arabische Fantasie, 1884

Théophile van Rysselberghe werd op 23 november 1862 geboren in Gent. Hij groeide op in een Frans sprekend gezin. Théo van Rysselberghe studeerde o.a. aan de academie in Brussel bij Jan Frans Portaels, die vooral oriëntalistische voorstellingen schilderde.
Daum en Majorelle
Louis Majorelle was medeoprichter en ondervoorzitter van de École de Nancy, die onder de leiding van Émile Gallé in 1901 werd opgericht.
Na de Franse nederlaag in de Frans-Pruisische oorlog in 1870 werden de Elzas en een groot deel van Lotharingen afgestaan aan het Duitse Rijk, maar Nancy bleef binnen Frankrijk. De deling resulteerde in een grote uittocht van kunstenaars, ambachtslieden, leraren en zakenlieden naar Nancy. De stad werd het economische, politieke en culturele centrum van de regio. De glasblazer Jean Daum emigreerde in 1878 naar Frankrijk en begon zijn eigen atelier, Daum Glass, dat werd geërfd door zijn twee zonen, Antonin Daum en Auguste Daum. Zij loodsten het bedrijf de Art Nouveau in. Aan het einde van de jaren 1880 formuleerden de gebroeders Daum hun doel: “op een industriële manier de ware principes van de decoratieve kunst toepassen”. Hun objecten werden in serie geproduceerd en waren aangepast aan de nieuwe technologie van elektrische gloeilampen.


















