
Dichter bij Johannes Vermeer
de tentoonstelling
Schaterlachend, nee: dijenkletsend. Zo ontvingen Nederlandse kunsthistorici het bericht dat het Mauritshuis in 1996 een overzichtstentoonstelling van het werk van Johannes Vermeer zou organiseren. Hoe stelde de directie zich dat voor: 300.000 bezoekers die in rotten van drie langs de minuscule doeken zouden marcheren? 24 bij 20 centimeter meet De kantwerkster uit het Louvre, 23 bij 18 het Meisje met de rode hoed uit Washington. Geen enkele Vermeer haalt de monumentale afmetingen die men tegenwoordig ‘museumformaat’ noemt – noch de formidabele maten die collega’s als Rubens en Rembrandt gebruikten voor historische onderwerpen. Rembrandts Feest van koning Belsazar, bijvoorbeeld, meet 167 bij 209 cm. Dat is andere koek, en toch was ook daarvan op de Rembrandttentoonstelling in het Rijksmuseum (1991/’92) alleen met geluk een glimp op te vangen. Dus als je bij Rembrandt al over de hoofden moest lopen en toch niks zag, hikten de kenners, hoe moest dat dan gaan in het Mauritshuis, of op de zustertentoonstelling in Washington?
Niet voor niets doen veel van Vermeers schilderijen het het best in reproductie, in een mooi verzorgde catalogus, thuis, op je eigen bureau. Vermeer maakte kabinetstukjes. Schilderijen die bedoeld waren voor huiselijk gebruik; die je opborg in een op maat gemaakt kastje als je er niet naar keek, of die je van de wand tilde en op een ezel voor het raam zette om er op je gemak van te genieten.
De sceptici kregen ongelijk. Elf musea, de Engelse koningin en een particulier gaven toestemming om de Vrouw met de weegschaal, de Vrouw met parelsnoer, de Staande virginaalspeelster en zelfs het Melkmeisje te vervoeren. Weliswaar werd elke Vermeer afzonderlijk aangevlogen, en heeft het Mauritshuis aan het bezoekersaantal een limiet gesteld door per uur niet meer dan zo’n driehonderd mensen binnen te laten. Maar komen deden ze – 22 werken; tweederde van het circa 35 schilderijen tellende oeuvre. De tentoonstelling in het Mauritshuis, Den Haag, had plaats van 1 maart tot 2 juni 1996.
Van 10 februari tot 4 juni 2023 presenteerde het Rijksmuseum in Amsterdam een herhaling en verbetering van dit huzarenstuk: met 28 schilderijen van het (thans officiële totaal van 37) uit de hele wereld werd dit de grootste overzichtstentoonstelling van Vermeer ooit. Na 3 dagen waren de oorspronkelijke 400.000 tickets al uitverkocht. Na 115 dagen werd afgeklokt op ruim 650.000 bezoekers waarmee Vermeer de best bezochte tentoonstelling is in de geschiedenis van het Rijksmuseum. Het aantal bezoekers per uur is in stilte opgetrokken tot waarschijnlijk ongeveer 600 mensen per uur – wat de ervaring niet bepaald ten goede is gekomen.

de kunstenaar
Johannes Vermeer heeft zijn hele leven in Delft doorgebracht. Hij werd er op 31 oktober 1632 geboren, gedoopt in de Nieuwe Kerk, en werd op 15 december 1675 begraven in de Oude Kerk. Zijn vader, Reynier Jansz, was een wever die een fijne satijnen stof produceerde die Caffa heette. Hij was ook actief als kunsthandelaar. In 1641 was de familie rijk genoeg om een groot huis te kopen op de markt met een herberg genaamd Mechelen. Vermeer erfde zowel de herberg als het kunstbedrijf na de dood van zijn vader in oktober 1652. Tegen die tijd moet Vermeer echter besloten hebben dat hij een carrière als schilder wilde nastreven.
In april 1653 trouwde Vermeer met Catherina Bolnes, een jonge katholieke vrouw uit de zogenaamde Papenhoek of Papistenhoek in Delft. Voor deze verbintenis moest hij zich van het protestantse geloof waarin hij was opgevoed tot het katholicisme bekeren. Vermeer kreeg na zijn huwelijk een atelier op de eerste verdieping in het huis van zijn schoonmoeder aan de Oude Langendijk. Hij woonde nog in het pand naast de katholieke schuilkerk toen de Franse diplomaat en kunstliefhebber Balthasar de Monconys hem daar in 1663 bezocht. De Fransman werd door Vermeer naar de bakker op de hoek gestuurd die drie werken in onderpand had. Vermeer had het kennelijk niet breed, want hij kon het brood voor zijn gezinsleden niet betalen. Hij had geen schilderijen op voorraad. Sommige kunstkenners zien hier het bewijs in dat Johannes Vermeer alleen in opdracht werkte.
Na zijn dood liet Johannes Vermeer zijn vrouw Catharina Bolnes achter met elf kinderen en een grote schuld. De uitvinder van de microscoop, Anthonie van Leeuwenhoek, werd als curator over de boedel aangesteld.
Vermeer werd snel vergeten. Buiten Delft en Amsterdam werd hij pas herontdekt in de 19e eeuw, door de Franse criticus Thoré-Bürger, die genoeg had van de acadamische stijl van zijn landgenoten. Hij noemde Vermeer in 1866 ‘de Sfinx van Delft’, omdat er zo weinig over hem bekend was.
de tentoongestelde werken
Er werden 28 werken bijeengebracht; 27 waren de volledige duur van de tentoonstelling te zien, eentje slechts tot 31 maart; het Meisje met de Parel verhuisde toen terug naar haar plek in het Mauritshuis in Den Haag.
Dit zijn de werken, in chronologische volgorde:



De vroegste werken zijn atypisch voor Vermeer: deze grootschalige Bijbelse en mythologische schilderijen, waren in de mode in de Renaissance, zeker ook in Vlaanderen in de 16de en 17de eeuw. Een jaar voor het schilderen van “Christus in het huis van Maria en Martha” was hij, geboren protestant, met de katholieke Catharina getrouwd – misschien was dit schilderij een poging om de schoonmoeder gunstig te stemmen? Of wilde hij tegenover zijn nieuwe collega’s van de Sint-Lucasgilde van Delft zijn capaciteiten als pictor doctus demonstreren?

Met De Koppelaarster schuift Vermeer richting zijn eigen stijl. Het onderwerp van deze scène van huurlingliefde is ontleend aan een schilderij van de Utrechtse caravaggist Dirck van Baburen in de collectie van Vermeers schoonmoeder. De diepe rode en gele tinten en de sterke clair-obscur effecten doen denken aan Rembrandt. Via de Rembrandt-leerling Carel Fabritius, die in 1650 in Delft kwam wonen, kwam Vermeer met zijn werk in contact. De schemerig verlichte figuur links van de compositie is waarschijnlijk een zelfportret.


Twee jaar later is Vermeer Vermeer geworden. Deze stukken zijn direct herkenbaar, al is het maar omdat het interieur en de kledij zo vaak terugkomen: het open raam links, de stoel met de leeuwenkoppen, het gele jakje van het meisje. Opvallend in De Soldaat en het Lachende meisje zijn de extreme perspectivische verkortingen; de soldaat op het schilderij is eigenlijk te groot voor het tafereel, alsof je door een groothoeklens kijkt. Daarom onder andere menen veel experts dat Vermeer een camera obscura gebruikte. Vermeer moet zeker bekend geweest zijn met de optische experimenten met lenzen van die tijd (Anthonie Van Leeuwenhoek was de executeur van zijn testament). De jezuïetenorde beschouwde de camera obscura trouwens als het ideale instrument om het “goddelijke licht” te observeren. Aan de andere kant werd recentelijk door een restaurator van het Mauritshuis dertien minuscule speldenprikjes opgemerkt in evenzoveel van Vermeers schilderijen; daar hadden de krijtsnoertjes aan gezeten, die Vermeer op het gegrondeerde doek had laten kletsen. Zo kreeg hij hulplijntjes voor de constructie van het perspectief. Vermeer heeft dus niet zomaar een tekening “gecalceerd”.


De schilderijen van Vermeer zijn genrestukken, schilderijen van interieurs uit met vrouwen en mannen die lezen, huishoudelijke taken verrichten of musiceren. Vermeer’s interieurscènes werden beïnvloed door het werk van Pieter de Hooch, een vooraanstaand genreschilder in Delft in die tijd. Hoewel er geen documenten zijn die Vermeer en de Hooch met elkaar in verband brengen, is het zeer waarschijnlijk dat de twee kunstenaars in deze periode nauw met elkaar in contact stonden, aangezien het onderwerp en de stijl van hun schilderijen in die jaren sterk overeenkwamen. Vermeers Gezicht op huizen in Delft (ca. 1658; ook wel Het Straatje genoemd) is zo’n werk: net als in de Hoochs hofscènes heeft Vermeer hier een wereld van huiselijke rust geportretteerd, waar vrouwen en kinderen hun dagelijkse bezigheden verrichten binnen de geruststellende omgeving van hun huizen.

Vermeer is de enige schilder uit de 17e-eeuw die zijn schaduwen mengt met kleur. Schaduw is nooit grijs, maar neemt de kleur van de omgeving aan. Er kan dus een vleugje groen of blauw in de schaduwpartijen van Vermeer terugkomen, wat de schilderijen levendiger maakt en het gevoel van illusie opwekt. Als kijker heb je bijna het idee dat je door de lijst heen kan stappen en deel kan nemen aan het tafereel dat Vermeer geschilderd heeft


Vermeer werkt veel met doorkijkjes. Hij weet heel goed zijn hoofdtafereel in één ruimte te plaatsen en is zich altijd bewust van ons als kijker. Op sommige schilderijen is het tafereel heel ingetogen en is degene die is afgebeeld zich niet bewust van de kijker. De doorkijkjes zorgen voor het perspectief, het kan zijn dat je in de ruimte vooraf aan het tafereel staat of in de deuropening. Als kijker ben je eigenlijk ooggetuige van het tafereel. In de Onderbreking van de Muziek heeft het meisje zojuist haar luit en muziekboek op tafel gelegd om de brief te lezen die ze van de man krijgt. Ze kijkt echter niet naar hem maar naar ons, de toeschouwer.





Vermeer schildert altijd ruimtes die met licht zijn gevuld, het lijkt bijna alsof het licht uit het schilderij komt. Op een aantal schilderijen na komt dat licht altijd van links. Soms zit er een raam aan de linkerkant, soms zit er geen raam maar zie je wel de lichtstralen die naar binnen schijnen.



De liefde en de verleiding zijn duidelijk onderwerpen die vaak terugkomen. Daarbij is in de schilderkunst van die tijd een duidelijk verband tussen muziek en liefde – vandaar alle musicerende personages. Andere werken hebben een ander populair aspect van verleiding en liefde als onderwerp: de liefdesbrief. Vermeer heeft weer een duidelijk moment, een onderbreking gekozen. Het schrijven van brieven had in het 17de eeuwse Nederland een hoog niveau bereikt, en was een gebruikelijk communicatiemiddel, en niet alleen voor de hoge klasse. De zogenaamde ‘vrijersbrieven’ (‘Litterae amatoriae’) waren het onderwerp van een sociaal probleem en gerechtelijke discussies: er moest juridische duidelijkheid kome over de vraag of een liefdesbrief tot een huwelijk verplichtte, of in bij een getrouwde schrijver, een liefdesbrief (strafbaar) overspel betekende.

Kantklossen behoorde tot de specifieke bezigheden van de Nederlandse vrouw, waaraan haar deugdzaamheid en handigheid kon worden afgemeten. Het tafereel is van zeer dichtbij afgebeeld, en Vermeer focust zich op de vrouw, die volledig opgaat in haar bezigheid. Verscheidene delen zijn onscherp en van pointillistische verfstippen voorzien, zoals de witte en rode draden die uit het kussen hangen. Geen wonder dat Vermeer door de impressionistische beweging werd herontdekt.

Dit schilderij, De Geograaf, is bijzonder; het is gesigneerd en gedateerd, en het is een van twee werken met één mannelijke figuur. Het andere is De Astronoom (In het Louvre en niet op de tentoonstelling),met een gelijk onderwerp: de radicale vernieuwingen in wetenschap en techniek. Door de ontwikkeling van nieuwe verrekijkers en telescopen werden de mogelijkheden van de astronomie merkelijk uitgebreid. Daarvan konden navigatie en scheepvaart profiteren. Met passer in de hand en vastberaden blik berekent de geograaf nauwkeurig een afstand. Op de achtergrond geen religieus tafereel meer, maar een globe en een zeekaart van Europa (uitgegeven door Willem Blaeu): Nederland ontwikkelde zich tot een zeevarende natie met religieuze verdraagzaamheid.



Het blauw in Vermeers schilderijen is erg intens. Hij gebruikte hiervoor een bijzonder pigment: ultramarijn. Dit werd gemaakt van het helderblauwe mineraal lazuriet, afkomstig uit de halfedelsteen lapis lazuli uit Afghanistan. Door de zeldzaamheid was ultramarijn in die tijd het allerduurste pigment dat te krijgen was. Het was zelfs kostbaarder dan goud. Hoe Vermeer dit kon betalen blijft een raadsel, maar hij paste ultramarijn in zijn schilderijen rijkelijk toe – niet alleen voor kleding, maar ook voor minder opvallende delen, zoals schaduwen.

Een van de laatste werken van Johannes Vermeer, vol van symboliek. Vermeer putte daarvoor waarschijnlijk uit het boek Iconologia van de Italiaan Cesare Ripa. De vrouw symboliseert het geloof. Het wit van haar jurk staat voor zuiverheid, het blauw voor de hemelse lucht. De hand op haar borst geeft aan dat het geloof in het hart huist. Ze heeft de wereld letterlijk onder haar voeten. Het lijkt alsof de vrouw kijkt naar de glazen bol die aan het plafond hangt, een symbool van de jezuieten van het menselijk verstand. Op de voorgrond ligt een slang die verpletterd is door een zware steen: Christus die Satan vermorzelt. Even verderop ligt een appel, het symbool van de oerzonde. De vrouw zit op een verhoging, met een crucifix en een standaard met misboek (of bijbel) en wijnkelk. Het schilderij op de achtergrond is een vereenvoudigde replica van de Kruisiging van Jacob Jordaens. De ruimte zou heel goed een schuilkerk kunnen zijn, een geïmproviseerde kerk voor katholieken.
