Zot van Dimpna (Sint-Dimpnakerk, Geel)

Het levensverhaal van de Ierse prinses Dimpna speelt zich af in de 7de eeuw. Na de dood van haar moeder vraagt de koning haar ten huwelijk. Gek van verdriet over het verlies van zijn vrouw ziet hij immers in zijn dochter de perfecte echtgenote. De moedige Dimpna weigert echter zijn aanzoek en neemt de benen richting het vasteland. Via omzwervingen komt zij in het Kempische Geel terecht. De koning weet Dimpna op te sporen en onthoofdt eigenhandig zijn rebelse dochter. Haar heldhaftig verzet maakte Dimpna ongekend populair bij het volk waardoor zij niet veel later tot heilige wordt uitgeroepen. Vanaf de hoge middeleeuwen trokken pelgrims massaal naar Geel. Hier wordt Dimpna vereerd als patrones van de geesteszieken.

Rond 1505 creëert Goswin Van der Weyden, kleinzoon van de beroemde Rogier, een uitzonderlijk meesterwerk: een monumentaal altaarstuk, samengesteld uit 20 individuele taferelen waarin het leven en de marteldood van Dimpna in de verf gezet worden. Het werd geschilderd voor de norbertijnenmonniken van de abdij van Tongerlo, die het onderbrengen op een prominente plaats in hun kerk.

Acht van de prachtige en unieke panelen werden nu gerestaureerd en voor de duur van de tentoonstelling opgesteld in de Sint-Dimpnakerk in Geel. Aanvankelijk was het een bedevaartkerk voor mensen met psychische problemen en aandoeningen. In 1349 startte de bouw van deze kerk en duurde tot 1585, maar de toren is nooit voltooid. Hoewel het een onopvallende kerk is aan de buitenkant, zijn er in de kerk een aantal buitengewone kunstschatten aanwezig.

de panelen van Goswin Van der Weyden, een middeleeuws stripverhaal

Dimpna was de dochter van de heidense Ierse koning Damon en een christelijke moeder van grote schoonheid. Haar moeder liet Dimpna in het geheim dopen door priester Gerebernus. Toen Dimpna amper 14 jaar was stierf haar moeder. De koning was ontroostbaar na het verlies van zijn gemalin; niets of niemand kon hem nog enige vreugde verschaffen.

De hovelingen gaven hem daarom de raad een nieuwe vrouw te zoeken die in schoonheid zijn vroegere vrouw zou evenaren. De uitgezonden raadslieden kwamen echter allen onverrichterzake terug, want een dergelijke vrouw was niet te vinden; maar zij raadden de koning aan zijn eigen dochter te huwen. Gegrepen door een duivelse begeerte, vroeg de koning dus zijn dochter ten huwelijk. De diepgelovige Dimpna werd hierdoor zeer geschokt en wees het aanzoek beslist af.

Om aan haar vaders toorn te ontsnappen, vluchtte zij weg samen met haar biechtvader Gerebernus. Over zee en langs de Schelde kwamen zij te Antwerpen, waar zij veiligheidshalve verder het land en de bossen in de Kempen introkken. Te Geel vonden zij een kapel, toegewijd aan St. Maarten. De kapel van de H. Martinus te Geel is dan weldra een bekende plaats. In de nabijheid daarvan bouwden zij zich een nederige hut. Hier leefden ze als kluizenaars en zorgden voor de armen en behoeftigen.

Maar de koning had reeds het spoor van de vluchtelingen gevonden tot in Antwerpen vanwaar hij weer zijn raadslieden het land instuurde om Dimpna te vinden. Zo kwamen de verkenners te Westerlo, dicht bij Zammel. Toen zij daar het gelag betaalden in de herberg, merkte de waard op dat een uitheemse maagd, die een weinig verder woonde, met dezelfde munt betaalde, en dat zij vergezeld was door een oude priester, een man en een vrouw.
Toen de verkenners spoorslags naar Antwerpen terugreden en daar aan de koning boodschapten dat zij Dimpna gevonden hadden, trok deze meteen er op uit om zijn dochter te Geel weer te zien. Ook nu weigerde Dimpna halsstarrig in te gaan op het onmogelijke voorstel van haar vader. De koning ontstak hierop in een waanzinnige woede en onthoofdde eigenhandig zijn dochter.

Ook Gerebernus liet hij onthoofden, en beide martelaren werden door de inwoners piëteitsvol begraven. Op die graven werd weldra gebeden tegen waanzin. Toen later de martelaren werden opgegraven om de relieken in de kerk de eer van de altaren te geven, werden de gebeenten van Dimpna en Gerebernus aangetroffen in twee blanke lijkkisten van witte zandsteen, een materiaal dat hier onbekend was. Zo geloofden de inwoners dat de martelaren destijds door de engelen begraven werden. Zij aanriepen hen als heiligen ter genezing van allerlei ziekten, maar vooral tegen krankzinnigheid, opdat Dimpna door haar vader in een vlaag van waanzin werd vermoord.

Volgens de legende roofden tijdens de middeleeuwen “Rovers uit Xanten”, de schrijnen van de Heilige Dimpna en de Heilige Gerebernus. Op 19 mei 1990 vond daarom een verbroedering plaats tussen het Vlaamse Geel en het Duitse Xanten. Haar relieken bevinden zich in Geel, de overblijfselen van de heilige Gerebernus nog in een kapel te Sonsbeck bij Xanten – zijn hoofd echter bevindt zich nog te Geel.

Van heinde en verre kwamen de bedevaarders naar Geel om op het graf van de heilige Dimpna gedurende negen dagen genezing af te smeken; weldra verblijvend in de “ziekenkamer”, een tegen de kerk aan!eunend gebouw. Wegens de grote toeloop van “bezetene en pelgrims” moesten dezen hun beurt afwachten om in de “ziekenkamer” de “novene” of boete te doen. Voor die wachttijd zochten zij onderdak bij de Geelse inwoners. Deze devotie ligt aan de basis van de latere “gezinsverpleging” voor psychiatrische patiënten te Geel.