Zeshonderd jaar geleden regeerden de hertogen van Bourgondië over Brussel. Deze rijke en machtige vorsten en gecultiveerde mecenassen stelden een schat samen die ook vandaag nog weet te boeien: de Librije, een unieke en kostbare verzameling handschriften.


In de laatste decennia van de 14de eeuw vormt Filips de Stoute de kern van een uitzonderlijke boekencollectie, die door erfopvolging later het pronkjuweel zal worden van Jan zonder Vrees, Filips de Goede en Karel de Stoute. Stamvader Filips de Stoute mag dan wel hertog van Bourgondië, Artesië, Rethel, Nevers en Charolais zijn, hij maakt in de eerste plaats deel uit van het Franse koningshuis, want hij is de vierde zoon van koning Jan II de Goede en Bonne van Luxemburg. In 1369 trouwt hij in de Sint-Baafs in Gent met Margaretha van Male, dochter van Lodewijk van Male, graaf van Vlaanderen, die instemt met het huwelijk in ruil voor de kasselrijen Rijsel, Dowaai en Orchies.



De artistieke bloei komt in de Zuidelijke Nederlanden tot uiting in de miniatuurkunst, in het schilderen in boeken. Van het aantreden van Jan zonder Vrees tot de dood van Maria van Bourgondie ontpoppen rijke steden zoals Brugge, Gent, Oudenaarde, Brussel, Valencijn, Rijsel, Luik of Doornik zich tot kweekvijvers voor kunstenaars van diverse pluimage, die een handgeschreven productie van ongekend hoge kwaliteit opleveren.
Onder Filips floreert de boekkunst in al zijn vormen. De beste miniaturisten moeten zijn pronkzucht bevredigen en zijn politieke aspiraties kracht bijzetten. De hertog regeert bijna 50 jaar, een halve eeuw waarin hij steeds nadrukkelijker belang stelt in kunst, en dan vooral in boekkunst. De wereld van het boek is niet langer het voorbehouden domein van geestelijken, maar dringt onder de Bourgondiërs door tot de adellijke kringen.


De productie van een handschrift doorloopt verschillende stappen. Eerst wordt de drager klaargemaakt: meestal gaat het om perkament. Perkament – pergamenum in het Latijn- ontleent zijn naam aan de stad Pergamon in Klein-Azië, waar het volgens de legende is uitgevonden. Men gebruikt gewoonlijk de huid van schapen en kalveren, of in de Zuid-Europese landen ook van geiten. Een stevige, maar dure grondstof: één schapenhuid levert slechts een dubbelblad op groot formaat. Wie een kroniek van 400 bladen wil laten maken, heeft dus maar liefst 200 schapen nodig. De huid wordt eerst geweekt in een bad van ongebluste kalk zodat de haarwortels los komen te zitten. Nadien verwijdert men eventuele vleesresten. De huid wordt vervolgens gedurende weken op een strak kader gespannen, zodat zij soepel en glad wordt en nadien gemakkelijk kan worden beschreven. Tot slot worden een of meerdere vellen gevouwen tot een katern. Het aantal vouwbewegingen bepaalt in theorie het formaat van het handschrift.






Brevarium van Lodewijk van Male


Verschillende miniaturisten werken aan dit lijvig boek, dat in een gotische letter is geschreven op perkament. Pas later wordt het wapen van de graaf van Vlaanderen, Lodewijk van Male, eraan toegevoegd. De herkomst van dit brevier blijft onduidelijk. Het Maasland? Brussel? Onderzoekers geraken het niet eens. Arnold van Rummen en zijn echtgenote Isabella van Zomergem zouden de opdrachtgevers zijn, want zij bezitten gronden in het Gentse en het handschrift bevat een kalender die daar in gebruik is. Verschillende taferelen beelden Vlaamse spreuken uit, die pas tijdens een latere verluchtingsronde in Vlaanderen worden aangebracht. Onder de initiaal die het gevecht van David met de leeuw illustreert, schildert de miniaturist twee grappige episodes uit het verhaal van de vos en de ooievaar. Deze fabel van de “bedrogen bedrieger” kent men al uit de romaanse beeldhouwkunst en keert geregeld terug in gotische handschriften.
Brevarium van Filips de Goede


Onder Filips de Goede (1396 – 1467) telt de hertogelijke bibliotheek niet minder dan 900 boeken. Zijn zoon Karel breidt de collectie nog aanzienlijk uit. Sommige werken vergezellen de rondreizende hertogen, maar het grootste deel blijft in Brussel in de bibliotheek van het paleis op de Coudenberg. Samen met de omliggende tuinen is het een van de weelderigste gebouwen van Europa, met een privé woongedeelte maar ook de Aula Magna, een reusachtige pronkzaal, en het befaamde Balieplein. In februari 1731 vernielt een felle brand een groot deel van de gebouwen. Enkel de bibliotheek, de kapel, de stallen, het verblijf van de edelknapen en van de jachtopzieners ontsnappen aan de vlammen.
Er gebeurt nog heel wat met de hertogelijke bibliotheek voor de verzameling de kern gaat vormen van de nationale bibliotheek van België. Ondanks rampen en plunderingen worden nog zo’n driehonderd handschriften in KBR bewaard.
Chroniques de Hainaut
Het absolute pronkstuk is de Chroniques de Hainaut uit het midden van de 15de eeuw.
Filips de Goede annexeert in 1433 Henegouwen, Holland en Zeeland ten nadele van zijn nicht Jacoba van Beieren. Als een echt propagandamiddel verschijnt een majestatisch boek dat deze machtsovername probeert te legitimeren door een fijnzinnig berekende voorstelling en vertelling.
Zowel symbolisch als iconografisch springt de presentatieminiatuur in het eerste deel van de Chroniques de Hainaut eruit. Filips de Goede, in het zwart gekleed en met de ketting van het Gulden Vlies om de hals, staat “recht als een rietstengel”, zoals kroniekschrijver Georges Chastellain het treffend schetst, en zit niet op een troon zoals de traditie voorschrijft. Doordat hij ietwat afgezonderd van de anderen staat, trekt hij de aandacht. De verticaliteit van de stoel, die met brokaat is bedekt en met een baldakijn bekroond, versterkt die centrale positie nog. De linkerhand rust op een dagge en hij houdt een fijne hamer- uiterlijk teken van zijn macht – in de rechterhand. Naast hem staat zijn zoon, de toen 15-jarige graaf van Charolais en latere Karel de Stoute.

De erfgenaam van de hertog draagt eveneens de ketting van de Orde waarvan hij sinds zijn geboorte in 1433 ridder is. In het midden van het tafereel presenteert een knielende Jean Wauquelin zijn werk – een kloek volume – aan de opdrachtgever. Het presentatietafereel bevat nog twee groepen. Links van de hertog: Nicolas Rolin, hoofd van de Raad, Jean Chevrot, bisschop van Doornik, en een derde persoon die soms wordt geïdentificeerd als Simon Nockart, mogelijk de tussenpersoon tussen de hertog en de miniaturist.
Rechts van de hertog: acht edellieden die met strakke blik en stramme houding het tafereel in stilte gadeslaan. Elke protagonist vertegenwoordigt een pijler van het hertogelijk gezag. Als wettige troonopvolger belichaamt de jonge Karel de continuïteit van de Staat. De boodschap ligt voor hand: het gezag behoort niet aan een individu, maar aan een dynastie die mikt op voortzetting. Nicolas Rolin en Jean Chevrot blijken niet alleen de gewaardeerde raadgevers van Filips de Goede, maar voeren ook beleid en organiseren de Bourgondische Staat. De aanwezigheid van de Vliesridders levert het bewijs van het overwicht van de hertog op de plaatselijke adel in zijn gebieden. De meesten onder hen vervullen belangrijke functies aan het hof.
Psalter van Peterborough




