
Van Eyck beeldt Van der Paele af naast Maria en Jezus, Sint-Donatius en Sint-Joris. Op het eerste gezicht is de man maar eenvoudig gekleed, vergeleken met de rijkelijk versierde gewaden en harnassen. Maar het zit ‘m in de sjieke details: een eekhoornpelsje, een duur boek, een bril.
Het schilderij uit 1436 oogt als een etalage met luxegoederen die in de 15e eeuw te koop waren in Brugge: tegels uit Spanje, een dik tapijt uit het Midden-Oosten, goudbrokaat, parels, edelstenen. En exotische dieren: het kindje Jezus houdt een halsbandparkiet vast, van het soort dat bij ons luid krijsend in de parken zit. Het schilderij blinkt en glinstert. In het schild van Sint-Joris zie je zelfs het spiegelbeeld van Jan van Eyck.



Till-Holger Borchert is directeur van Musea Brugge: “Onze collega’s in Gent zeggen dat hun stad het Manhattan van de 15e eeuw was. Niets kan fouter zijn! Gent was het Chicago, daar was nijverheid. Brugge was het Manhattan, met de beurs als Wall Street. De stad waar alle grote handelaars uit Italië, Spanje, Duitsland hun waren kochten en verkochten.” Ideale rijke klanten voor Jan van Eyck en zijn medewerkers.
De Sint-Donaaskerk bestaat niet meer. De plek waar dit schilderij ooit hing en waar Jan van Eyck begraven werd, is in de Franse Revolutie afgebroken. Archeologische resten bevinden zich onder hotel Crowne Plaza op de Burg in Brugge. Maar die zijn zelden te zien, ook nu niet. “Wegens het coronavirus” is de kelder gesloten.
Het schilderij werd besteld door kanunnik Joris Van der Paele, geen priester maar wel een belangrijk man binnen de Sint-Donaaskerk op de Burg in Brugge. Toen hij zijn einde voelde naderen, in 1436, bestelde hij een werk bij Jan van Eyck, toentertijd een schilder met een sterrenstatus. Van der Paele betaalde ook een bom geld om tot in de eeuwigheid missen op te dragen voor zijn eigen zielenheil. Het was, zegt Till-Holger Borchert, “een investering in zijn sociale prestige in het hiernamaals”.

Op basis van het uiterlijk van de kanunnik is hij gediagnosticeerd als lijdend aan temporale artritis en polymyalgia rheumatica. Dit zijn chronische ontstekingsziekten, gekenmerkt door pijn en stijfheid (zie de vreemde houding van de hand) algemene zwakte en gevoelige slagaders op de schedel.
De kanunnik had een opmerkelijke carrière als pauselijke nuntius. Hij was geboren nabij Brugge rond 1370. Op de leeftijd van 30 jaar was hij klerk van de kanselarij van paus Bonifatius IX in Rome ten tijde van het Westers Schisma (1378-1417). Toen hij 50 was trok hij zich terug in Brugge, waar hij een stipendium kreeg van de kathedraal van Sint-Donaas. Volgens de minuten van het kathedraalskapittel kreeg hij het voor het eerst moeilijk om het ochtendofficie bij te wonen in november 1431. We lezen daar:
“De deken en de meesters van het kapittel gaven opdracht aan Sigerus Toor, boekhouder van de toebedelingen van het koor, de betalingen te staken aan de meester van de metten, kanunnik G. de Pala, dit hoewel dezelfde meester G. dikwijls wel opdaagde, maar niet altijd tot het einde bleef”
In september 1434 vroeg de kanunnik de toelating om toch zijn inkomen te mogen behouden, hoewel hij de dienst niet bijwoonde – hij kreeg de dispensatie “vanwege zijn zwakheid en hoge leeftijd”. Rond deze tijd vroeg de kanunnik aan Jan van Eyck een schilderij te maken om de muur van de kerk te versieren – hij moet zich zo ziek gevoeld hebben dat hij dacht dat zijn einde naderde. Het schilderij werd afgewerkt in 1436. Van februari 1437 tot 1443 wordt de kanunnik in het halfjaarlijkse kapittel vermeld als “ziek”. Hij overleed op 25 augustus 1447.
De Kunstenaar en de Dokter, Jan Dequeker
