
Albrecht Dürer in het Albertina
In de Duitse schilderkunst van de 16de eeuw treden twee grote namen naar voren: Albrecht Dürer, geboren in Nürnberg in 1471 en Lucas Cranach de Oude, geboren in 1472. Ze waren dus tijdgenoten, doch Dürer stierf op zevenenvijftigjarige leeftijd, terwijl Cranach eenentachtig jaar werd. De opkomst van de prentdrukkunst, die parallel loopt aan de ontwikkeling van de boekdrukkunst, maakte van Albrecht Dürer de populairste en invloedrijkste Noord-Europese kunstenaar uit deze periode.
De ALBERTINA combineert haar eigen indrukwekkende collectie tekeningen van Dürer met internationale bruiklenen voor de “tentoonstelling van de eeuw”.
Zelfportret als dertienjarige, 1484

Het eerste bewijs van zijn uitzonderlijke talent is dit zelfportret uit 1484, een zilverpunttekening uit de collectie van het Albertina. De jonge Dürer ging als leerling in de werkplaats van zijn vader werken, net als zijn oudere broer die de familietraditie van goudsmeden voortzette. Hij raakte vertrouwd met de technieken van de metaalgravure, die hij later toepaste in zijn beroemde burijn- en etswerken. Dit werk is gemaakt in de spiegel toen Dürer pas dertien jaar oud was met zilverstift, een moeilijke techniek die geen bedenktijd of correcties toelaat.
Het wordt beschouwd als het eerste zelfportret in de Europese kunst dat als een autonoom werk wordt gepresenteerd; in de rechterbovenhoek staat “Daz hab jch aws eim spiegell nach mir selbs kunterfet im 1484 jar, do ich noch ein kint was“.
Jong koppel te paard, 1496
In zijn familiekroniek verwijst Durer naar zijn tijd als gezel met slechts één laconieke zin: “En toen ik klaar was met mijn leertijd, stuurde mijn vader me weg, en ik bleef vier jaar weg, totdat mijn vader me weer riep. En ik vertrok in 1490, na Pasen, en keerde weer terug, in het jaar 1494, na Pinksteren. Over zijn gearrangeerde huwelijk met Agnes Frey schreef hij: “En toen ik weer thuiskwam, onderhandelde Hans Frej met mijn vader en gaf me zijn dochter genaamd Agnes met 200 florijnen en hield de bruiloft. Dit was op de maandag voor St. Margaret’s in het jaar 1494.” Een paar maanden later vertrok hij, alleen, op zijn eerste reis naar Italië.

De Aanbidding der Koningen, 1504

Het kleine ventje neemt het kistje met goud aan van Caspar, de oudste der wijzen. Achter hem staan Melchior en Balthasar tegen een achtergrond van een ruïne. De in profiel afgebeelde koning is in de stijl van Leonardo Da Vinci en zou kunnen gebaseerd zijn op Dürer zelf, een man met lange, blonde krullen. Hij was er ijdel genoeg voor. De drie wijzen zijn door Dürer zeer rijk aangekleed, en ook hun geschenken mogen er wezen; stoffen, brokaten, kronen en bekers (gemaakt door goudsmeden in Nürnberg), robijnen en parels. Ook de sluier van de Maagd, de dieren en planten, allemaal details naar Vlaamse smaak. Zijn vader, die als ambachtsman opleiding genoot in de Nederlanden, bracht hem de cultus bij van de grote meesters zoals Van Eyck en Van der Weyden.
Het is een stralend zonnige dag, hoewel wij meestal de geboorte van Jezus met de nacht associëren. De kleuren op de voorgrond zijn dieprood, groen en blauw; op de achtergrond het heldere blauw van lucht en zee. Dürer werd door Italiaanse kunstenaars vooral geaccepteerd als graficus, minder als schilder, wegens niet klassiek genoeg. Durer vermelde later in een brief aan dat hij degenen die hem geen goede schilder vonden, het zwijgen had opgelegd: “jch hab awch dy moler all gschilt, dy do sagten, jm stechen wer ich gut, aber jm molen west ich nit mit farben vm zw gen” (Ik heb ook alle schilders de mond gesnoerd die zeiden, ik was goed in graveren, maar ik wist niet hoe ik met verf moest werken).
Het werk is een altaarstuk dat Dürer vervaardigde voor de Schlosskirche van Wittenberg, in opdracht van Frederik III de Wijze, de plaats waar Maarten Luther 13 jaar later zijn 95 stellingen aan de deur zou spijkeren.
Jezus onder de Schriftgeleerden, 1506

Dürer toont een rustige Jezus tussen de opgewonden koppen van de schriftgeleerden, waarvan bij sommigen hun lelijkheid hun slechtheid moet onderstrepen. Het bladwijzertje in het boek links onderaan draagt het logo van Dürer en de tekst Opus Quinque Dierum, ofwel “gemaakt in 5 dagen”. In het midden van de compositie komen allerlei gebarende handen samen. Door de figuren op niet meer dan halve lengte tonen, gaat alle aandacht naar de gezichten en de handen. In dit paneel ontmoet de noordelijke renaissance de zuidelijke, want Dürer maakte het tijdens zijn tweede bezoek aan Italië (1505-1507), in Venetië.
Waarschijnlijk heeft Dürers tweede vertrek naar Venetië deels te maken met een nieuwe uitbraak van de pest in Neurenberg, en deels met zaken van auteursrecht. Giorgio Vasari vermeldt in zijn Lives of the Artists dat Dürer naar Venetië kwam om een procedure te starten tegen de kunstenaar Marcantonio Raimondi (1480-1530). Marcantonio had prenten van Dürer te koop gezien op het San Marcoplein in Venetië en was er razend enthousiast over geweest. Vervolgens graveerde hij koperen kopieën van Dürers houtsneden en voegde er zijn eigen monogram aan toe. Het was het eerste proces in de Duitse kunstgeschiedenis dat draaide om de bescherming van het auteursrecht. Dürers prestatie was dat de Signoria, het stadsbestuur van Venetië, Marcantonio verbood zijn monogram aan de kopieën toe te voegen. Deze vervalsingen bewijzen echter ook hoe hoog aangeschreven Dürer in deze tijd was.
(Biddende) handen



Natuurprenten
Denn wahrhaftig steckt die Kunst in der Natur. Wer sie heraus kann reißen, der hat sie.
(Aus “Vier Bücher von menschlicher Proportion”).



De tekeningen zijn natuurlijk en gedetailleerd en tonen Dürer als observator en liefhebber van de natuur. De tekening van het haar van de haas illustreert het uitrekken van de vacht in gehurkte positie en ook het zachte gevoel van de vacht.
Religieuze prenten

Dürer slaagt erin in deze kopergravure de verschillende texturen van vegetatie, bodem en gebouwen op overtuigende wijze over te brengen. “St. Eustachius” werd gemaakt rond 1501 en toont de bekering van de nobele Romeinse soldaat Placidus, terwijl hij tijdens de jacht de gekruisigde Christus tussen het gewei van een hert ziet. De soldaat, die de doopnaam Eustachius kreeg, knielt op de oever van een beek, naast zijn paard, en kijkt met uitgestrekte armen naar de verschijning op de achtergrond.




