Musée Jacquemart-André, Parijs

Hammershøi, le maître de la peinture danoise
Het Museum
De Tentoonstelling

De grote meester van de Deense schilderkunst, Vilhelm Hammershøi (1864-1916) wordt geëerd in het Jacquemart-André Museum. Voor het eerst in 20 jaar worden de mysterieuze en poëtische werken van de schilder samengebracht in Parijs.
Tijdens zijn leven (1864 – 1915) veranderde de kunst mogelijk meer dan in alle voorgaande eeuwen samen, evoluerend van impressionisme naar post-impressionisme, symbolisme, fauvisme, kubisme en de vroege stadia van abstractie.
Hammershøi ging naar de beste kunstacademies, reisde veel in Europa en exposeerde op de Wereld-tentoonstellingen van 1889 en 1900. Hij wist dus dat er een revolutie in de schilderkunst gaande was, maar koos ervoor deze te negeren. Als het werk van Hammershøi iets bewijst, dan is het wel dat een kunstenaar niet “van zijn tijd” hoeft te zijn, zoals Manet zei. Het is mogelijk om verontrustende beelden te creëren die tientallen jaren meegaan, zonder nieuw of innovatief te zijn. Hammershøi’s hardnekkige visie wierp zijn vruchten af. Tegenwoordig wordt hij beschouwd als de beste Deense schilder van zijn generatie.
Portræt af Ida Ilsted, senere kunstnerens hustru, 1890

Wilhelm Hammershøi werd geboren in 1864, een jaar na Edvard Munch, zijn bekendere Noorse tijdgenoot.
Op 17-jarige leeftijd had Hammershøi zijn onderwerpen als schilder gekozen: portretten van familie en goede vrienden, sobere interieurs en enkele landschappen. Hij verwierp de onstuimige thema’s en kleuren waar zijn tijdgenoten de voorkeur aan gaven en beperkte zijn palet tot ingetogen grijs, blauw, zwart, wit en oker.
In 1891 trouwde hij met Ida Ilsted, met wie hij tot zijn dood in 1916 samen bleef. Ida komt veelvuldig in zijn schilderijen voor, in de interieurscenes en portretten waar hij haar vaak op de rug afbeeldde.
De Moeder van Vilhelm, Frederikke Hammershøi,1886
In zijn werk putte Hammershøi uit de traditie van de Deense schilders uit de Gouden Eeuw, die tussen de jaren 1820 en 1850 een specifiek Deense kunst creëerden die de schoonheid van het dagelijks leven vierde. Hammershøi’s visie was echter veel somberder dan die van zijn voorgangers en hij was gefascineerd door het gebruik van grisaille, een techniek die werd gebruikt door verschillende toonaangevende kunstenaars uit die tijd, waaronder Whistler, die hij zeer bewonderde. Hij zocht tijdens de tentoonstellingen in Parijs actief, maar tevergeefts, contact met Whistler.

Interieurs




Tussen 1898 en 1909 woonde hij op het adres Strandgade 30 in Christianshavn, waar hij zijn karakteristieke verstilde interieurs ontwikkelde.
De verstilde interieurs vormen de meest gekende werken. Het is niet moeilijk te zien waarom hij de ‘Vermeer van het noorden’ wordt genoemd. Eenzelfde sfeer is te voelen bij Léon Spilliaert, Fernand Khnopff of Hopper.
Drie jonge vrouwen, 1895

In 1895 schildert Hammershøi dit groepje van drie vrouwen: zijn echtgenote Ida in het midden, links Ingeborg Ilsted, vrouw van schilder Peter Ilsted en rechts Anna Hammershoi, de zus van Vilhelm. Hoewel ze naast elkaar zitten, is er geen interactie tussen de figuren, elk is verzonken in haar gedachten of lectuur. Zij lijken samen alleen, in een wereld van stilte, die in niets lijkt op een traditioneel schilderij van een interieurscène.
Interiør med læsende ung mand, 1898
In 1887 maakte Hammershøi een reis naar Nederland om de Nederlandse zeventiende-eeuwse schilderkunst te bestuderen, wat een sterk effect had op zijn ontwikkeling. Zijn schuld aan Hollandse meesters als Vermeer en De Hooch is terug te zien in zijn latere werk.
Hammershøi reisde veel in Europa, waaronder verblijven in België, Duitsland, Italië, Frankrijk en Engeland. Hij exposeerde zijn werk op de Wereldtentoonstelling van 1889 in Parijs, evenals op andere Europese locaties. Paradoxaal genoeg behield Hammershøi een artistieke identiteit die door Europese tijdgenoten als kenmerkend Deens werd gezien en door zijn eigen landgenoten als enigszins vreemd.

Hvilde, 1905

Hammershøi heeft hoogstwaarschijnlijk het ruggelings portret uitgevonden. De stille figuur is geborsteld in een verfijnde reeks grijstinten en bruintinten
De compositie is een aaneenschakeling van rechte hoeken: de lijnen van de stoel, de plint en het dressoir verdelen deze lofrede van afwezigheid in vierkanten met een soort protestantse strengheid. Het echte onderwerp is misschien wel de nek, het meest onfatsoenlijke deel van het lichaam voor oosterlingen. Het Japonisme was voor veel tijdgenoten een inspiratie en de fetisj-achtige geisha-witte-nek kan in veel van zijn werken worden gezien.
Interiør, 1898
Eén van de eerste bewonderaars van het werk van Vilhelm Hammershøi (1864-1916) is de Duitse dichter Rainer Maria Rilke. Rilke raakte op een tentoonstelling in Düsseldorf in de ban van de Deense schilder en zocht hem in 1904 op in Kopenhagen, in de hoop meer te weten te komen over de werkwijze en de ideeënwereld van de kunstenaar. Hammershøi bleek minstens even gereserveerd als zijn werken en hulde zich tijdens het grootste deel van deze ontmoeting in een bedachtzaam stilzwijgen. Rilke schreef hierover ‘Man fühlt, dass er nur malt und nichts anders kann oder will‘.

Landskab fra Lejre, 1905

Dit kalme landschap zonder mens of dier is typisch voor Hammershøi. Het toont het gebied rondom Roskilde, ten zuidwesten van Kopenhagen. Het land beslaat een derde deel van het schilderij, de rest wordt ingenomen door de lucht en zachte wolkjes. In feite wordt de zachtheid van het glooiende landschap gereflecteerd in de lucht, waardoor je een heel harmonisch geheel krijgt. Ook is er geen enkel detail wat in het oog springt of afleidt. Ze doen mij denken aan de schilderijen van de Leie in Sint-Martens-Latem van Valerius De Saedeleer
Vijf portretten, 1901

Hammershøi was van huis uit niet protestants maar katholiek. De familie was echter niet kerks. Hijzelf presenteerde zich het liefst anti-religieus. Dat deed hij erg demonstratief met zijn grootste schilderij en tevens het grootste schilderij ooit in Denemarken gemaakt: 1.90 bij 3.40 meter. Hij werkte er twee jaar aan van 1901-02. Het was, vond hij, zijn chef d’oeuvre. Het was geen interieur maar een groepsportret. Het zou een regentenstuk kunnen zijn, maar de gewijde nachtelijke sfeer in kaarslicht en de frontaal bekeken lange tafel met het witte altaarkleed verwijzen naar het Laatste Avondmaal.

Even opzettelijk is het echter geen Laatste Avondmaal. Er zijn geen twaalf maar slechts vier apostelen en de middelste figuur, Christus, is Christus niet maar de somber voor zich uitstarende J.F. Willumsen. Willumsen was een goede vriend-vijand van Hammershøi, Gauguin-adept en schilder van mystieke, zeer kleurige landschappen. De bedrukte jongeman op de voorgrond is niet de ontwrichte Judas van Iskariot en ook niet de verontruste Johannes de Evangelist, maar Svend Hammershøi, zijn jongere broer die een pijpje opsteekt. Petrus, die zich niet waardig vond om zich door Jezus de voeten te laten wassen leunt nu, goed geschoeid, achterover, met zijn benen op een andere stoel gelegd; zijn kolossale schoenmaat wordt extra lachwekkend door de perspectivische verkorting. Deze bijzonder jolige Petrus is dan ook helemaal Petrus niet maar Carl Holsøe, een volgeling van Hammershøi, eveneens schilder van interieurs. Kortom Hammershøi’s Laatste Avondmaal is geen Laatste Avondmaal maar een bijeenkomst van oude getrouwen. Het schilderij heet dan ook droogweg Vijf Portretten. Het brood is op, de wijn ook, de borrelglaasjes staan op tafel, het wachten is nu nog op de jenever.
